Marcel Kocken wordt morgen 85. Een gefilmd venster op zijn leven als stadsgids en schrijver.

met categorie:  

“Voor mij persoonlijk is de geschiedenis die ik terugvond in de oude documenten van de 16e en 17e eeuw alsof ik als getuige door een venster keek. Je kan het vergelijken met een raam in de loge van KV Mechelen. Je bent getuige van het voetbal maar er toch niet echt bij aanwezig”

https://youtu.be/F5jkh8ChwYQ

Marcel Kocken wordt 85. Net zoals ik al deed bij zijn vorige lustrums van 75 en 80 had ik de eer een stukje over hem te mogen plegen. Het kan de laatste keer zijn dat er een boek van Marcel uitkomt, want de brave man zit praktisch zonder inkt. Hij heeft nog net een laatste potje op de kop kunnen tikken bij Mispelters, maar daarna is het gedaan.  Ik heb me laten wijsmaken dat zwarte inkt veel langer in de archieven bewaart dan blauwe, het is maar dat u het weet. Inmiddels heeft Karine Decoster, de gealarmeerde voorzitster van de stadsgidsen al een nieuwe inktpot boven getoverd en aan Marcel overhandigd. Men weet maar nooit.

 

Ik had al gehoord dat Marcel het niet zo op corona heeft, maar na twee negatieve tests stond hij me toch toe een uurtje op veilige afstand en gekleed als een astronaut op spacewalk volgend interview op te nemen. Ik mag wel zeggen dat het een uniek document is geworden over zijn rijkgevuld leven. We hebben het slechts kort over zijn nieuwe boek “Mechelen Gebundeld”. Dit werd trouwens al deskundig en uitgebreid beschreven in GVA door ons aller Sven “Gazet” Van Haezendonck en in Mechelen Blogt door Jan “Ribbedebie” Smets, de man die tegenwoordig kinderen de stuipen op het lijf jaagt met waargebeurde drakenverhalen. Maar laten we nu Marcel aan het woord:

 

“Het is allemaal begonnen met het begin. Het kan gek klinken, maar dat is zo. Het is begonnen tijdens het eerste schooljaar. Ik zat als vijfjarige reeds in het eerste studiejaar bij Meester Pijckhout. De eerste paar jaar leer je het meest: lezen, schrijven en tellen. En als je dat kunt, kun je de wereld veroveren. Zoals meneer Huts, die heeft dat ook gedaan, die is ook begonnen met gewoon woordjes te lezen.

Mijn kinderjaren speelden zich voor een groot deel tijdens de oorlog ‘40-45 af. Ik heb een zeer wisselvallig parcours afgelegd in het lager onderwijs. Door de bombardementen in ‘44 was de school kapot gebombardeerd en moesten we naar een noodschool. Ik heb toen weken en maanden geen les gehad. Dan een deel 's morgens en dan een deel in de namiddag. We zaten er met twee studiejaren in één lokaal gepropt. Wanneer een klas rekenen had, kreeg de andere tegelijk een oefening Nederlands, u kunt het zich echt niet voorstellen. Daarna trok ik naar het Koninklijk Atheneum Pitzemburg in Mechelen en ben daar op de gewone manier doorgeraakt zonder de grootste onderscheidingen te behalen, maar het is uiteindelijk toch gelukt. Dat heeft niet belet dat ik later nog verder gestudeerd heb en de "School voor Opleiding van Bibliotheek-, Archief- en Museumpersoneel" (afdeling Museumpersoneel) in Antwerpen volgde. Het was een soort beroepsschool die specifieke opleidingen gaf voor personeel dat in archieven of bibliotheken ging werken. Ik volgde de afdeling museum waar ik de kans gehad heb met zeer prominente leraars uit de Antwerpse geschiedenis te werken.

Later, toen ik al 51 jaar was, ben ik naar de universiteit getrokken om mijn droom van universitaire studies te verwezenlijken. Ik heb op vier jaar tijd mijn licentie behaald. Ondertussen deed ik ook mijn werk als directeur van het Festival van Vlaanderen en ging ik ook nog naar de atletiekmeetings in het Mechelse. Daarna heb ik een tweede geluk gehad, want in het leven moet je opportuniteiten krijgen, de kans om zaken te doen. Tijdens mijn legerdienst heb ik het tot korporaal gebracht. Ik was de compagniebediende. Dat betekende dat ik een vrij rustig leven had. Ik had het geluk een groot deel van mijn legertijd in Mechelen te kunnen doorbrengen. Ik werkte eerst in de kazerne Dossin, daarna vier maanden in het Militair Hospitaal te Antwerpen en tenslotte terug te Mechelen in de kazerne Baron Michel. Ik had dezelfde voorwaarden als de beroepsonderofficieren zodat ik vrij was van zaterdagnamiddag tot zondagavond. Door die vrije zaterdagnamiddag kon ik de lessen voor de vorming van stadsgidsen volgen.

In het najaar van 1955 begon in Mechelen een gidsencursus, dit met het oog op Expo ‘58. Dat was in de tijd van Staf Drieghe, als schepen van toerisme, en conservator-archivaris René De Roo. Hij was een jonge licentiaat geschiedenis met veel enthousiasme. Ik heb die cursus kunnen volgen terwijl ik soldaat was. Ik ben afgezwaaid eind februari. Dan heb ik een jaar in de privé gewerkt en heb mijn cursus gids tot een goed einde gebracht. Ik was niet de eerste, ik denk dat ik tweede was en dat Godelieve Jans (de zus van Aloïs) eerste was, of een zekere Van der Poel, dat weet ik niet meer. En ik werd stadsgids. Ik heb de eerste keer echt gegidst in augustus 1956, voor een groep uit Antwerpen.

Ik had dus eerst in de privé gewerkt, maar was daar heel ongelukkig en ik had meegedaan aan heel wat examens, onder meer in het gerechtsgebouw in Antwerpen. Ik kon daar onmiddellijk beginnen. Voorwaarde was dat ik binnen de zes maanden zou verhuizen naar Antwerpen. Ik had gelukkig ook meegedaan aan een examen voor de stad Mechelen en ik ben daar ook gelukt. Ik zag Staf Drieghe en ik kon een plaats krijgen op het stadsarchief. Ik heb mijn vorige werk opgezegd en ben midden april op het stadsarchief begonnen. Ik vond er al die boeken over de geschiedenis van Mechelen . Mijn liefde voor geschiedenis was in het atheneum ontstaan door mijn leraar Joosen, die een crème van een mens was. Hij was vrij klein en we zaten in de Latijnse met tweeëndertig leerlingen. Tijdens zijn les was het muisstil en hij moest nooit zijn stem verheffen. Hij vertelde over de Egyptenaren, de Romeinen en de Grieken en ik slorpte het allemaal op.

Op het stadsarchief  heb ik ontzettend veel geleerd, zoals het lezen van parochieregisters. ik ontmoette daar interessante mensen zoals Gaston Beterams, Jef Uytterhoeven, de grootvader van Mark Uytterhoeven en Polle Van den Wijngaert, een autodidact die zich enorm kon opwinden in geschiedenis en daarbij grote gebaren maakte. Met sommige van die mensen heb ik een heel goede relatie opgebouwd en ging ik al eens een pintje pakken. Ik heb daar zeventien jaar gewerkt en ben uiteraard lid geworden van de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen. Ik heb het gebracht tot bibliothecaris van de Kring en tenslotte ondervoorzitter, wat ik nog steeds ben. Het is daar dat ik ook stilaan ben gaan schrijven. Dat kwam gewoon automatisch.

Ik werkte nog niet zo lang bij de stad en had al mijn geld bij elkaar gespaard om een vliegtuigticket te kunnen kopen naar Ierland. In die tijd had men nog een reispas nodig. Het was niet dat je zomaar kon vertrekken. Als lid van de jeugdherbergcentrale kon ik daar gewoon gaan overnachten. Ik heb daar dan een kleine drie weken rondgetrokken en kwam er tenslotte terecht in het museum te Dublin. Ik ben ook in Belfast geweest, maar niet lang. In dat museum stond een bronzen vijzel en die mensen die wisten daar niks van. Ze hadden de naam niet goed gelezen en ik merkte natuurlijk onmiddellijk dat het een Van den Ghein was uit Mechelen. Dat was daar een echte sensatie. Ik maakte daar een artikeltje in het Nederlands over dat ik zelf in mijn beste Engels vertaald heb en opgestuurd. De medewerker van het Nationaal Museum heeft dat dan in goed Engels omgezet en in Ierland in het tijdschrift van het museum gepubliceerd. Ik publiceerde dat in ‘61 of ‘62 in de Handelingen van de Kring, waar ik sindsdien ook nog andere stukken heb geplaatst. Er volgden artikelen voor de Gazet van Mechelen en voor een krant die niet meer bestaat, de Mechelse Week, van Albert Grouwet. Ik had het schrijven in het bloed. Ik had indertijd in het atheneum ook goede punten gehaald voor opstel en schrijven.


Tijdens mijn laatste jaar in het atheneum had ik een opstel gemaakt over de landbouw en de eerste mensen. Dat opstel werd curieus genoeg door de leraars van de school verkozen tot beste opstel van het jaar. Het werd opgestuurd naar de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal en Letterkunde als voorbeeld van wat een achttienjarige in 1954 kon presteren. Ik was daar natuurlijk fier op en daarna ben ik blijven schrijven. Het enige is dat wanneer mijn kleinzoon van 22 mijn stukken leest, hij dat oudbakken vindt. Ik gebruik onder andere het woord warempel. De jongeren kennen dat niet meer, maar ik vind dat wel een leuk woord. Wanneer mijn teksten in omloop komen, zijn er steeds heel veel mensen die mijn taal wel plezant vinden. Ik schrijf bijna zoals ik spreek, met volzinnen, met bijwoorden, tussenwerpsels, tussenzinnen en ondergeschikte bijzinnen. Zo schrijf ik ook. Mensen willen het heel plezant om die taal nog eens te zien. Ik ben ooit met vakantie geweest in Denemarken. Ik kocht daar een krant en kon de essentie van die krant begrijpen. Ik had dan het geluk dat er uitgevers waren die naar mij kwamen, ik ben die nooit moeten gaan zoeken. Eerst was er de Koninklijke Kring waar ik mocht publiceren. Later de Europese bibliotheek in Zaltbommel, de uitgeverij Ontwikkeling, maar die ging failliet, de uitgeverij Standaard, uitgeverij De Vries-Brouwers en dan nu uitgeverij ElenA. Ik heb altijd personen gehad die mijn taal en uitleg plezant vonden. Toen ik gidste, waren er groepen die mijn naam kenden en mijnheer Kocken wilden. Dan deed ik dat, en door het feit dat ik wel wat Duits kende heb ik ook die gidsbeurten gedaan.

In 1958, het jaar van de Expo, hadden we in Mechelen die grote wondermooie tentoonstelling over Margaretha van Oostenrijk en haar Hof. Het was de mooiste tentoonstelling die ik ooit in Mechelen heb gezien. Ze vond plaats in het stadhuis. De kolommenzaal werd gebruikt, de raadzaal, de trouwzaal. Alles was mooi ingericht met bordeauxrode doeken en ontworpen door architect Wels. Er waren prachtige stukken aanwezig zoals het harnas van Karel V, de reeks panelen van Juan de Flandes, vergeten maar teruggevonden, maar ja. Ik heb toen bijna dag en nacht gegidst. In 1956 waren er twintig gidsen aangenomen, simpelweg de twintig eerste. Het viel mee, of het viel tegen, zoals u dat wil zien, dat er nogal wat jongeren bij waren die verder gingen studeren in Leuven en Gent. Die konden niet gidsen want die waren met hun examens bezig en de oudere generaties hadden ook geen tijd, want die moesten werken. Ze konden enkel op zaterdag en zondag komen.

De tentoonstelling was de volledige week open en de scholen mochten gratis binnen en kregen ook een gratis gids aangeboden. De vragen kwamen er dan ook binnen aan de lopende band. De tentoonstelling was bedoeld voor het laatste jaar van het lager onderwijs. tot het volledige middelbaar. Uiteindelijk waren we tijdens de week slechts met twee. Ik werkte toen al aan de stad en de andere gids, waarvan ik de naam graag vernoem, was Albert Torfs, die later directeur van de dienst toerisme werd. Van die man heb ik heel veel kunnen leren, praktische dingen, uitleg over steenkapperstekens en kragen. Hij wist alles. Ik deed de meeste beurten want ik kwam natuurlijk uit de dienst die de tentoonstelling organiseerde, ik was mee de stukken gaan halen en had ze opgesteld. Ik heb toen bijna mijn tenten opgeslagen op de tentoonstelling. Een rondleiding mocht maximum 50 tot 60 minuten duren, zodat ik 's morgens twee rondleidingen deed en ‘s middags ook nog twee, dus vier rondleidingen per dag. Ik had ook permanent een busje spray bij voor mijn keel, maar het was plezant. Tijdens het weekend kwamen er dan andere gidsen.

De dienst toerisme, met Rik Huyghe als directeur, vroeg me dus graag omdat ik niet betaald moest worden en Albert Torfs ook.  Wij waren stadsambtenaren, dus we waren gewoon in dienst. Wanneer in het weekend andere gidsen kwamen dan werden die gewoon betaald. Die kregen 135 Belgische frank per gidsbeurt wat overeenkomt met wat een gids nu ook zou krijgen. Ik zie nog echt al die stukken van de tentoonstelling voor mijn ogen. En ik beleefde daar iets wat me altijd bijgebleven is en nog steeds mijn ijdelheid streelt, als ik het zo mag uitdrukken. Er was daar een groep kinderen die begeleid werden door hun leerkracht die een wat oudere man leek te kennen. Nadien kwam die naar mij toe en die zei me dat ik heel goed gedaan had en dat de kinderen heel aandachtig waren geweest en dat ik mijn werk zeer goed gedaan had. Later hoorde ik dat hij de hoofdinspecteur van het lager onderwijs was. Ik ben daar opgehemeld als een heel goede leerkracht door de hoofdinspecteur van het onderwijs en ik was daar toen fier op. Ik feite was dat mijn praktisch examen dat ik gedaan had en zo ben ik begonnen met gidsen en artikels te schrijven.

Ik vond iets op het archief dat interessant was. Ik heb bijvoorbeeld al de namen van de “gekochte poorters” overgeschreven. Het poorterschap kon men erven. Als je ouders poorters waren dan was je ook poorter, een vrije man. Ook vrouwen konden poorter worden. En je had dat poorterschap nodig om ambachten te kunnen uitoefenen zoals zilversmid, beeldhouwer, bakker of brouwer en je moest Mechelaar zijn. Inwoners van andere steden konden aan het stadsbestuur vragen om poorter te worden. Dan moest men een bepaalde som betalen. Deze wisselde nogal in de loop der tijden en werd altijd maar duurder. Men moest echter steeds twee poorters hebben die wilden optreden als getuige om te verklaren dat dat je een serieuze mens was. Af en toe werd het ook gratis gegeven. Op een ogenblik had Mechelen koperbewerkers nodig en men is die gaan halen in Namen en Dinant. Ze hebben het poorterschap gratis gekregen, liever dan het ambacht te verliezen. Ik heb daar een dik boek over geschreven, in feite een telefoonboek, want dat zijn niks anders dan namen.

Daarbij ben ik ook lezingen gaan doen voor mensen die mij vroegen om de uitleg die ik deed ook eens in een zaal te doen. Het ging daarbij altijd over Mechelse aangelegenheden, meer bepaald de Heerlijkheid Mechelen. Laat ons zeggen het Mechelen van nu. Walem behoorde toen niet tot Mechelen, maar Hever en Hofstade wel.
 

Toen ik 50 jaar was, las ik in de krant dat de V.U.B. de deur openstelde voor mensen die voltijds werkten. Ik heb daar mevrouw Els Witte ontmoet die ik nog als jonge studente had gekend op het archief. Zo ben ik in de sectie geschiedenis terechtgekomen en werd ik licentiaat na vier jaar studies. Ik kwam op het archief van Mechelen terecht waar Henri Installé de aandacht vestigde op een serie boeken die bij elkaar bleken te horen, een geheel vormden. Ze behelsden een bepaald thema, wat ervoor zorgde dat je niet nutteloos honderden boeken moest gaan lezen om tot het onderwerp te komen.

Ik heb op het archief alle registers van het rechtsgebied van de schepenbank gelezen en overgeschreven. De schepenen van toen hadden niets te zien met de schepenen van nu, dat waren ook rechters. Ik heb die registers woord voor woord afgeschreven. Ik kon dat geschrift even goed lezen dan het huidige Nederlands. Ik las en hield pagina's vast met de linkerhand en ik schreef met rechterhand. Het betrof de registers tussen 1585 en 1713, dus de periode van de Spaanse Nederlanden, de Habsburgers in Mechelen. Later waren er ook de Oostenrijkse Habsburgers maar dat is een ander verhaal. Ik heb alle vonnissen uit die tijd gelezen en van begin tot het einde heb ik ze afgeschreven. Ik heb daar twee jaar aan gewerkt. Ik heb twee pakken documentatie met al die vonnissen. Ik heb duizenden namen tegengekomen en er waren schrijnende gevallen bij. Die werden gebundeld in mijn boek “Gruwelgids van Mechelen”.

Ik heb ook de heksenprocessen behandeld. Van sommige had ik enkel de vonnissen, maar van andere had ik ook de ondervragingen. Dat was pijnlijk. Ik vond een zaak van een dienstmeisje van 24 jaar, Marie-Cathérine Goulenveau uit Gerpinnes in de buurt van Charleroi. Ze was dienstmeid bij mevrouw Daneels die op de Wollemarkt woonde. Ze stal twee of drie soiréekleren en een paar neusdoeken, wat hebben wij nu een sjaal noemen. Ze was zo dom geweest de kleren te verpanden bij de berg van barmhartigheid. Deze plaats stond erom bekend dat er nogal wat gestolen goederen werden geheeld. Het is dus uitgekomen. Dan de onmenselijke pijnbank. De jonge vrouw werd ter dood veroordeeld, het vonnis werd uitgevoerd en ze werd op 3 maart 1696 opgehangen.
Wat mij ook zwaar getroffen heeft, was het geval van een zelfmoordenaar. Het was gewoon iemand die hulp nodig had. Die man was een bakker in de Adegemstraat op de hoek met de Kraanstraat en hij had zich opgehangen op zolder. Hij werd pro forma voor de schepenbank gedaagd en ter dood veroordeeld. De dode mocht niet over de drempel het huis uit en moest onder de dorpel doorgetrokken worden waar een put onder gegraven was. Hij is er door de beul onderdoor gesleurd en op een horde gelegd van takkenbossen of planken want hij mocht niet op een kar vervoerd worden.  Hij werd er met het gezicht naar de grond opgelegd, want hij mocht de hemel niet meer zien, met zijn hoofd onder het achterwerk van het paard. Dat was ook om de geesten op een dwaalspoor te brengen. Hij werd dan verder getrokken door de stad, via de Adegemstraat, Korenmarkt, IJzerenleen, Katelijnestraat, Antwerpsebaan tot aan het galgenveld waar de galg op een handgemaakte heuvel van vijf meter hoog stond. Het was een mik die gevormd werd door een Sint-Andrieskruis waarin de dode met zijn kaken werd opgehangen. Hij bleef daar weken hangen tot het lijk volledig afgevreten was door kraaien en wolven. Nadien werden de achtergebleven knoken door de beul in een put begraven. Dat zijn dingen die gruwelijk klinken maar ook een inkijk geven in het leven van toen.

Voor mij persoonlijk is de geschiedenis die ik terugvond in die oude documenten van de 16e en 17e eeuw alsof ik als getuige door een venster keek.  Ik ben een paar jaar terug op KV Mechelen geweest. Ik zat er in de loge. En dan kijk je door een raam. Je ziet het voetbal wel, maar je neemt er niet echt aan deel, want het een raam houdt het geluid tegen. Dat is het net hetzelfde met geschiedenis. Als ik nu vanuit de 21e eeuw terugkijk door dat raam in de geschiedenis, zie ik geen keizers, koningen of hertogen die met geld smijten en oorlog voeren omdat ze alleen maar meer macht willen. Ik zie gewone mensen, de werkman, de boer en de kleine bediende, want er waren toen ook al middenstanders. Je ziet dat allemaal gebeuren. Af en toe komt ook de kerk voorbij. Ik had ook alle parochieregisters gelezen en daarin was sprake van de geboorte van een “filius illigetimus”, een onwettige zoon. Er stond bij dat de vrouw in het kinderbed bekend had dat de vader een pastoor was. Als ik dat las, dan dacht ik altijd: dat zijn mijn voorvaderen. Mijn voorouders langs moeders kant komen uit Tienen en die van mijn vader uit het Antwerpse. Maar het waren allemaal gewone mensen die werkten om een boterham te verdienen.

Recent nog vertelde mijn goede vriend François Van der Jeught iets over een windmolen waarvan ik dacht dat ik daarover reeds iets had gelezen. Ik ben dat terug gaan opzoeken in de registers van de 17e eeuw. Het betrof een lijkschouwingsverslag van een 4-jarig meisje. Ze was aan die molen doodgeschoten met een ronde kogel die van achter in haar hals was binnengedrongen. We zijn dat gaan nakijken en hebben zelfs gevonden ze aan de Ganzendries gewoond had. Plots, en dat is buitengewoon boeiend, krijgen die mensen een gezicht. En dan zie je dat gewone mensen sporen nalaten zonder dat ze het weten, nu nog veel meer dan vroeger. We staan in de registers van de geboorten, van huwelijken, begrafenissen, instellingen en belastingen. Ons leven wordt nu per minuut gecontroleerd. Maar is het niet zo dat slechte dingen meer sporen nalaten dan goede? Ik geef een heel simpel voorbeeld. Men gaat veel langer over Dutroux spreken dan over mijn moeder, die heel vriendelijk was en heel wat mensen geholpen heeft. Er wordt duidelijk meer aandacht besteed aan schelmen dan aan goede mensen.

Mijn rondleidingen hebben ertoe geleid dat ik door uitgeverij Ontwikkeling gevraagd werd om een gids voor Oud-Mechelen te maken. Ik had al boekjes gemaakt over Mechelen in oude prentkaarten. Dat waren prentjes met een praatje, meer niet. In Antwerpen was er een bekende gids, Georges Van Cauwenbergh en die had een gids gemaakt voor Oud-Antwerpen. Dat was een groot succes. Ik heb hem ontmoet en mijn gids voor Oud-Mechelen gemaakt volgens het idee zoals dat in Antwerpen al gebeurd was. De man van de uitgeverij waarmee ik contact had was Roger Binnemans. De uitgeverij Ontwikkeling werd echter failliet verklaard en daar ging mijn boek. Twee jaar later was Roger Binnemans voor uitgeverij de Standaard gaan werken en had het idee van de "Gids voor Oud-Mechelen" terug opgenomen. Deze is dan verschenen, met groot succes trouwens. Maar dan gebeurde er een drama.  Het magazijn van de Standaard in Steendorp brandde volledig uit, samen met de stock van mijn gids. Wie nog een eerste druk heeft, houdt die beter goed bij, want daar is maar een zeer beperkte oplage van geweest. C. De Vries-Brouwers was een man die ik had leren kennen bij Salvator in Mechelen. Hij had een kleine uitgeverij in Antwerpen en die heeft de gids heruitgegeven. Ik heb de nieuwe versie een beetje bijgewerkt en hij is uitgekomen als de "Gids voor Oud en Groot Mechelen".

Tenslotte ben ik bij Uitgeverij ElenA in Mechelen terechtgekomen en het eerste boek dat we daar hebben gepubliceerd was “Feiten en Façades.”  Het is prachtig uitgegeven en verzorgd. Ik weet wat het heeft gekost om het te drukken. De tweede druk heeft geen dure omslag meer, maar werd ook goed verkocht. Deze had al wel enkele correcties, want ik had een paar foutjes gemaakt in de eerste druk.

Ons laatste boek, dat deze week verschenen is, en dus zowat het slot van mijn werk behelst, is “Mechelen Gebundeld.” Ik heb in de loop der jaren honderden artikels geschreven. Zo schreef ik voor het tijdschrift van het personeel van de stad Mechelen. Dat heeft slechts twee nummers gekend. Uitgever Luc van Hoeylandt wou iets speciaals doen voor mijn 85ste verjaardag en dat is dan “Mechelen Gebundeld” geworden. Ik verwittig u beste mensen ik heb nog eens zoveel materiaal dat hier niet in vermeld staat. We hebben slechts een selectie gemaakt. Ik kan zelfs niet meer zeggen op wat we ons gebaseerd hebben. Ik heb ook voor wetenschappelijke tijdschriften geschreven, met soms meer voetnoten dan tekst en dat hebben we dus niet gepubliceerd, want daar hadden we de mensen mee doodgeslagen. Het boek is pas sinds vorige dinsdag in de handel gekomen. Ik weet dus nog helemaal niet hoe het gaat verkopen. De eerste berichten van mensen zijn positief. Ik spreek er niet graag over, want dat is eigen lof, en eigen lof stinkt. De enkele mensen die het boek al gelezen hebben vinden het leuk dat men gewoon in het midden van het boek kan beginnen lezen, in plaats van in het begin of op het einde. Het zijn allemaal verhalen die op zichzelf staan. Soms zijn het zware dingen en soms zijn het bijna mopjes, maar ze zijn wel echt gebeurd. Het zijn dingen die ik gevonden, zelf gezien of gehoord heb, onder andere een verhaal over een tombola met carnaval dat ik in oude geschriften op het stadsarchief had teruggevonden.

Ik ben geboren in 1935 en ik stond als 7-jarige, als klein manneke dus, te kijken naar de grote stoommachine van de beerpomp. Iedere jongen wilde toen aan die machine werken. Een aantal hoofdstukken gaan over verhalen die mijn vader me verteld heeft. Ik heb het geluk gehad dat mijn vader 88 is geworden en zeer helder van geest was. Ik had al zijn verhalen op stukjes papier geschreven en bijgehouden. Ze staan vermeld in het deel “Herinneringen van mijn vader”. Ik had het geluk uit een volkswijk te komen aan de Leuvensesteenweg. Het betrof allemaal mensen die aan het Arsenaal werkten. Daar ons huis beschadigd was door de bombardementen, verhuisden wij naar de Lange Nieuwstraat en ik heb daar ook de kermis meegemaakt. Ik heb als kind van 11-12 jaar meegelopen in de bloemenstoet. Op de Leuvensesteenweg was ik al 14 jaar en dan mocht ik meedoen met de groten en kreeg ik bonnetjes om bier te drinken. Ik had een broer die ouder was, dus die bonnetjes heb ik niet opgedronken, wees gerust. Ik ken ook nog de liedjes van de buurt, maar ga ze nu niet zingen, wees gerust. Mijn vader deed van alles zelf, en legde zelf zijn elektriciteit. Het gebeurde dan dat het licht wel aanging, maar niet meer uit. Maar het liefste wat ik deed, was schrijven. En je kunt het geloven of niet, maar ik schrijf nog met een pen die ik in de inkt doop. Het enige waar ik niet meer aan geraak zijn potjes inkt. Ik kan alleen nog capsules kopen. Ik heb gelukkig net voor de sluiting bij Mispelters nog een pot inkt kunnen kopen, een mooie pot,  om op een bureau te zetten. Hij kostte 15 euro.  Ik heb dus boven nog mijn potje inkt en gebruik het nog regelmatig.  

Ik heb ook nog voor radio Antwerpen om de 14 dagen praatjes gemaakt. Ik moest mijn papieren op voorhand binnenleveren, maar ik schreef ook die met een pen die ik moest dopen in inkt. Ik zie de rimpels in jullie gezicht. Wie doet dat nu nog? Ik dus!

Als ik moet beginnen, begin ik met het eerste woord. Het kan raar klinken, maar ik begin een boek met het voorwoord. Ook voor mijn boek “Verhalen van een minzame wandelaar”. Na de eerste lijn was mijn pen droog en moest ik mijn pen terug in de inkt dopen. Tijdens die paar seconden maakte ik  het vervolg van mijn zin af en kon ik onmiddellijk verder schrijven. Het dopen van de pen en het even afschudden gaf me de gelegenheid in mijn hoofd de zin af te maken. En ik schreef altijd maar door. Ik kan dat niet met de computer. Als ik op de computer typ, heb ik een blad met rode streepjes met verkeerde woorden. Het boek “Feiten en Façades” is volledig met de hand geschreven en daarna pas getypt. Het is misschien een omslachtig procedé, maar ik schrijf wel boeken.

Ik lees nog erg graag, maar ik heb problemen met mijn ogen, waardoor ik op tijd moet stoppen. De letters beginnen te dansen en dan moet ik sommige zinnen drie, vier keer lezen om te weten wat er staat. Dan is het teken dat ik even moet stoppen en een uurtje mijn ogen laten rusten.
Het komt er nu al 10 jaar op neer dat ik eigenlijk maar met één oog zie. Dat is voor mij wel een zware handicap, maar op je 85ste moet je daar geen drama meer van maken. Het is een deel van het leven, niets meer dan de periode tussen geboren worden en sterven.

Voor wie het nog wil weten, ik ben getrouwd. We hebben een dochter en een kleinzoon. Ik hoop maar één ding: dat ze allemaal gelukkig zijn en van Mechelen houden. Er heeft iemand ooit tegen mij gezegd dat ik een beroepsmechelaar ben. Ik vind dat zelf nogal een curieuze titel. Ik kan moeilijk meer vertellen, want dan val ik misschien in herhaling of vertel ik dingen waar ik achteraf spijt van heb.

Er is nu al heel wat van mij gefilmd, onder andere mijn dialectlessen. Er staat ook een beknopt deel “Mechels dialect” in het nieuwe boek, niet meer dan tien bladzijden. In Nederland is er van mij zelfs een boekje verschenen over het Mechels dialect “van de A tot de AA”. Het Mechels is daar opgenomen onder de rubriek Brabant. Nu ik toch met eigen lof bezig ben, ik ben de enige auteur in Mechelen waarvan zoveel boeken over de stad verkocht zijn. Ik heb jaren geleden een boek gemaakt voor Artis Historia en dat heet inspiratievol “Mechelen”. Het is ook verschenen in het Frans als “Malines”. Toen er 75 000 van verkocht waren, kreeg ik een extra premie en die leverde me toch enkele duizenden franken op. Daarna is de verkoop nog een tijdje verder gegaan zodat er minstens 80 000 exemplaren verkocht waren. Welk boek over Mechelen is ooit op die oplage verkocht? Ik weet zelfs niet of er in Vlaanderen zoveel boeken op meer dan 80 000 exemplaren verkocht worden. “De Leeuw van Vlaanderen” en “De Witte” hebben ook goed verkocht natuurlijk. Het ergste was dat de boeken van Artis verzameld werden, maar daarom niet gelezen.


Vraag: komt er nog een nieuwe “Gids van Mechelen”, want ik hoorde toch dat daar plannen voor waren.

Dat is inderdaad een paar jaar geleden aan mij gevraagd. Ik heb een paar slechte jaren gehad, waardoor ik in het ziekenhuis ben beland en me niet zo goed voelde. De flinkheid was er dus uit. Ik ben er toen wel aan begonnen, maar het gedeelte van de wandelingen in het boek was er teveel aan.
Ik had de wandelingen terug moeten afstappen en onderweg lezen en schrijven en corrigeren en kijken, en dat lukte niet meer. We zijn nu aan de slag met een aantal Mechelse stadsgidsen die goed weten waarmee ze bezig zijn en waarvan ik weet dat ze een goede pen hebben. Ze hebben het werk, dat nu meer dan de helft af is, overgenomen. Het zal een coproductie geworden tussen de uitgeverijen ElenA en C. De Vries-Brouwers en bevat vier wandelingen. Oorspronkelijk wilde ik eind jaren ‘70 niet minder dan vijf wandelingen maken. Ik kwam echter tot de conclusie dat ik door een aantal stomme straten was gelopen en dit enkel om ergens een beeldje te zien. Een probleem in Mechelen was bijvoorbeeld de Brusselpoort, die helemaal uit de loop van de wandelingen ligt. Je moet er gewoon heen en terug naartoe en daar is niks aan te doen. Op de Vest is het veel te druk. Voor de nieuwe versie hebben we afgesproken dat daar ook de kazerne Dossin en het Joods museum in worden opgenomen. Er is altijd kans dat we Mechelen niet op zijn best laten zien. Nu is de Katelijnestraat een interessante straat geworden, maar begin jaren ‘80 was dat een ander verhaal. Ik moest een speciale omleiding inlassen om een stuk Katelijnestraat niet te doen omdat er zoveel lelijke stukken waren. Dat is nu opgelost. De straat is nu de schoonste van de stad, dus ze mag gezien worden. Margaretha staat niet langer op de Grote Markt. Dat moet herschreven worden. Er zijn huizen gerestaureerd die ik in mijn eerste gids verzwegen heb. Nu zijn het prachtige gebouwen geworden. Het is dus tijdrovend werk. Het uiteindelijke doorlezen komt terug bij mij, want het moet één geheel vormen, maar dat komt goed. Het nieuwe boek is in de maak, maar ik zal er maar voor een deel aan meegewerkt hebben. Mijn laatste boek heb ik niet meer moeten schrijven, het is een bloemlezing van mijn werk.

Vraag: is het goed dat we binnen 5 jaar terugkomen en dan uw tweede boek in de reeks voorstellen?
 

Ik ben akkoord om dat te doen maar heb al een paar jaar een pacemaker. Er zit dus een zwakke kant aan mij. Ik weet dat ik leef dankzij een machientje. De duivel is het branden ook gewoon. Bedankt voor het levend archief dat over mij werd opgebouwd. Ik heb 12 jaar voor de radio gewerkt, maar daar is niets van bewaard. Het programma werd opgenomen op een band die de dag daarna terug voor iets anders gebruikt werd. Maar nu krijg ik niet alleen geluid, maar ook beeld. We spreken dus af binnen 5 jaar.

De video-opname is hier te bekijken:

https://www.youtube.com/watch?v=F5jkh8ChwYQ  (1u 10")

https://youtu.be/tGnlqBaWGrs (14 min)

Feiten en Façades:  2de herziene druk ISBN 978 90 82416053 - uitgeverij ElenA.

Mechelen Gebundeld: ISBN: 9789463883733  - uitgeverij ElenA

Prachtig gefilmd document!  Naar Marcel kan je blijven luisteren...