Torenbrand

met categorie:  

  (foto's: Jan Smets)

Helemaal stil werd ik er van.  Ik zag de vlammen.  Ik voelde de onmacht.  Ik zag hoe de vieringtoren als een brandende toorts brak en in brokken viel.  Zwijgend en vol ongeloof - met verbijstering staarde ik naar iets wat onwerkelijk leek, maar helaas bittere ernst was.  Ik zag de tranen van de Parisiens aan de boorden van de Seine. En ik begreep.

In 1972 had dit tragische lot ook 'onze' toren kunnen treffen.  Gelukkig bleef de schade relatief beperkt.  Het had véél, véél erger kunnen zijn.  Je mag er niet aan denken.  Maar gisterenavond kwam het terug in mijn herinnering.  Ooit waren we Maneblussers en gingen we een waanbeeld te lijf.  Beschaamd dropen we af toen we de waarheid ontdekten.  Maar beter dit dan de nachtmerrie écht te moeten ondergaan...  En ook aan die nacht, toen we aan onze spotnaam kwamen die we nu trots als geuzennaam dragen, dacht ik gisterenavond toen de Notre-Dame, zinnebeeld van de Lichtstad, van héél Frankrijk - maar ook werelderfgoed - en dus van ons allemaal - ten onder dreeg te gaan in een niets ontziende brand.

Ik dacht aan 27 januari 1687 onzes Heren...

 

't Was een ijzige nacht.  Op de Dijle, de Melaan en de Koolvliet lag een dikke ijskorst.  de stenen vroren uit de grond en uit de schoorstenen van de huizen met houten gevels krulden rookpluimen het duister in.

Nevelslierten hingen als draperies tussen de gotische huistoren, slingerden zich tussen de kantelen en trapgevels. 

Michielken, leerlooier uit den Ham had het koud - héél koud.  Zijn voeten voelden aan als ijsklompen en zijn roodblauwe vingers leken gevoelloos. 

Het was stil in de Mechelse straten.  Geen holle voetstappen, géén klepperend hoefgetrappel op de kasseien...  Stil gewoon.

't Was dan ook al laat.  De luiken van de meeste huizen waren gesloten.

Nu en dan hoorde je de bronzen galm van de klokken van Sint-Rombout.

Michielken waou nog niet naar huis - naar zijn stulp in de Vettersham.  Belange niet, belange niet...

Hij duwde de deur van afspanning 'De Spiegel' op de Graanmarkt open.

Daar in dat donkere, wat morsige lokaa, waar de donkerte amper opgelicht werd door het schijnsel van de dansende vlammen van waskaarsen die op de houten tafels stonden, klonken lallende stemmen.  Zattemanspraat.

Het schuimende bier klutste over de rand van de stenen kruiken die Belle in haar vlezige handen geklemd had.

Belle was van Oembèk, en ze zag er nog steeds...wat 'landelijk' uit, blozend als een overrijpe appel, zoals ze daar deinend zwalpte tussen de tafels.

Haar lonkende oogleden 'frivoolden'. 

"En?" vroeg ze met enige zwoelte hoorbaar in haar al even overrijpe stem.

"Nen Mechelsen Bruynen'! Belleke..." gaf Michielken de Hombeekse boerendochter ten antwoord.

In de gelagzaal werd er gekaart, en gedobbeld en stevig gevloekt.

Daar zat ook Dokus, sabbelend aan zijn meerhouten pijp.  Hij kon zijn handen niet thuishouden en met vulgaire wellust tikte hij op de wiegende billen van Belle.  Ze was er niet mee gediend en ze gaf hem een stevige mep rond zijn oren.

En daar zat ook Schieve Smoel van 't Mosselschelpstraatje, die kuiper was.

En ze nipten van hun jenever - Michielken en Dokus en Schieve Smoel.  Ze klonken op het Leven, de Liefde, de Vrouw en op Mechelen.

De kleine ruitjes van de afspanning waren aangedampt van de zwoele warmte die in botsing kwam met de kilte van daarbuiten. 

Het was plezant daar in 'De Spiegel'.  Dat kan je je wel indenken.  Buiten winterde het zoals het nooit voorheen gewinterd leek te hebben in deze noordelijke uithoek van het Spaansche Rijk.

Karolus van de Leecheyt was met met kromme benen op één van de tafels gekropen en begon te zingen.  Nou ja: zingen...  Hij brabbelde een lied van de Keizer naar wie zijn vader hem genoemd had.  Het lied bezong de heldendaden van de Doorluchtige tegen de Moren - het verhaalde van de zeeslag bij Tunis én over de aanvaring met Kwa Bet van 'Den Engel' (een feit dat qua heldhaftigheid in een zelfde orde diende begrepen te worden als voornoemde schermutselingen).

En de andere stamgasten joelden en klapten ritmisch mee.  Belle schuddewiegde haar heupen van links naar rechts.  Ze gooide haar rosse krullen in één golfbeweging naar achter en de vlokkige schuimkoppen op de bierkannen spatten hierbij wolkig in de rokerige ruimte.  Iets té breeddenkend tilde ze haar rokken op.  Karolus viel haast van de tafel, maar Jakob Seeldraeyrs van de Leermarkt kon hem tijdig opvangen.

Naast hem zat Nel die ze al eens durfden betitelen als 'de Keunigin van Spanien' omdat ze ondanks haar bescheiden afkomstig best hovaardig uit de hoek komen kon.  Maar nu lachte ook zij ongeneerd haar afgebrokkelde tanden bloot.

Het was koud die nacht van 27 januari.

Onze-Lieve-Vrouw over de Dijle tekende haar contouren af tegen de blauwzwarte hemel.  Op het water lagen de schuiten werkloos tussen de ijsschotsen.  De houten kraan op de Haverwerf leek vannacht een spokerige stille reus.

Michielken struinde langs de kade en strompelde door de smalle straten.

"En we geun nog ni naar hoas!!..." 

In de Hoogstraat bezocht hij achtereenvolgens nog 'Het Hoefijzer', 'de Fontein' en 'Het Wit Huis'.  Wie zei ook alweer dat in de Dijlestad niks te beleven viel?  Michielken sprak dit praktijkondervindelijk tegen. 

En in de afspanningen en tavernes en kroegen was de nacht lang zo koud en droef niet.  De Mechelse tavernes waren als balsem voor de ziel van lavelozen en deernen, van het streutjesvolk en de eenzame harten en drinkebroers.  En de nacht legde een warme 'seuzze' van mededogen over de armen van geest en geldbeugel.  Compassieus was ze voor de hoerenlopers en de kouwelijken van hart en leden.  Het is een schone stad die haar burgers-die-willen-vergeten weet te bergen in de plooien van de nacht en de warmte van haar troostende boezem.

En Michielken dronk, en dronk en dronk.

En de waarden telden de duiten.

Michielken zou naar huis toe gaan.  Door de winterse nacht, langs de IJzerenleen.  En het leek nog ijziger geworden.  Zijn adem produceerde bevroren wolkjes die zijn rooddooraderde neus omzwachtelden.

Hij stuikelde over een losliggende steen.  En toen hij opstond keek hij naar Sint-Rombout die als een trouw stadswachter stoer boven dit alles uittorende.  Zijn gotische flanken, mannelijk - zijn donkere galmgaten als diepe oogkassen.

Michielken kreeg er even een warm gevoel bij.

"'t Is schoên oem Mecheleir te zoan!" snikte hij van pure ontroering (en natuurlijk ook van pure zattigheid).

in dat donkere en niet zo Christelijke uur van de nacht klitten de nevelslierten zich verder aan mekaar vast - als zoekend naar gezelschap.

De hemelse miste sluierde de stad waar de deftige burgers vredig sliepen.

En plots...

Eensklaps...

Ineens...

Toen was het of Michielken van de hand Gods was geslagen.

Hij keek naar de toren.

Hij verstijfde.

Hij beefde.

Zijn adem stokte.

Want achter de toren - daar bovenaan: daar!  Daar zag hij een rosse schijn (en zo zouden het later ook de kroniekschrijvers optekenen).  Een rode schijn als het gensterend hart van een kampvuur tekende zich af achter de kanten kantelen van  Rombout.  Het leek of  de hellevlammen likten achter de steengeworden Rumoldus.

Plots leek Michielken ontnuchterd.

Niet hélemaal - maar toch een beetje.

En zijn stem die daarnet nog hees had geklonken in de lokalen-van-de-nacht, was wéér helder (nou ja...).

Hij begon te roepen,

te gillen:

"Sint-Rommes!  Mensen! weurd wakker!!  Sint-Roemmes!  Sint-Roemmes steut in brand!!!!!!"

En toen werden de luiken opengegooid en kwamen de ingeslapen Mechelaars hun hoofd buitensteken, wakker geworden van het straattumult.  En hun boosheid om zat Michielken verdween heel snel toen ze de gloed achter de toren zagen.

Het werd me daar een bedoening!

De stille nacht was abrupt overgaan in de drukste nacht sinds de Spaanse Furie - die nacht van 27 op 28 januari.

Ze sprongen uit hun bed - de Mechelaars - in hun nachthemd, in hun slippen,  met hun blote billen...: de neringdoenders, de ambachtslieden, de rederijkers, de meubelmakers, de baljuw, de ketellappers...

Allemaal.

En ze keken naar de brandende Sint-Rombout.

Vol afschuw.

Allemaal.

 

En ze liepen om ketels die ze vulden met pompwater.

Ze grepen naar biervaten en naar nachtemmers...

Ze maakten menselijke ketens en torens - op schouders, op ladders, op stoelen...  Allemaal om naar de brandende toren te reiken.

De begijnen kwamen toegesneld en de Heren van de Grote Raad in hun amper ontwaakte Deftigheid.

Allemaal, in die vrieskou van die nacht.

En burgemeester Franciscus Cosmus Van Wachtendonck trok zich vertwijfeld de haren uit het hoofd.

Er werd geschreeuwd, gevloekt, geroepen, gehuild.

Ze probeerden allen te blussen: de schippers, de Minderbroeders, de smeden, de Swertsusters, de soldaten...

Aartsbisschop Alphonsus de Berghes verbeet zijn angst en keek wanhopig naar boven en smeekte de Allerhoogste om genade.

Ze waren er allemaal - solidair in deze winterse nacht:

Bouwmeester Lucas Faydherbe en de jonkvrouwen Sabina Sandelin de Herenthout en Louise de Barronaige...

Maar ook Scheel Sofie, de visverkoopster, Beire van de pensenkramekes, beeldhouwer Kasper Schillemans, Manke Peer en Sus-van-Battel...

Het was zo aandoenlijk.

Triestig en schoon tegelijk.

Zo ontroerend hoe die Mechelaars begaan met hun torende Trots, de handen uit de mouwen staken om te redden wat te redden viel.   Begaan met de ziel van hun stad.  Begaan met die toren.

En ze huilden.

Ze snikten.

Ze prevelden weesgegroetjes en Onze-Vaders...

En overmoedig deden ze verder.

Dan...

Op die nacht van 27 januari dus...

op die ijskoude nacht waarvan de kronieken later zouden berichten...

Toen kringelden de nevelslierten wat hoger de inktzwarte hemel in...

En achter de mistgordijnen werd een helder licht zichtbaar.

Een blauwwit licht.

Een rond licht.

Een schijf als een Roomse hostie.

Een schijf die aureoolde boven de monstrans die Rombout nu wel leek.

De maan???!!!???

Het werd stil daar in het maanlicht.

Muisstil werd het toen. 

Mechelen begreep.

Ze hoefden niks te zeggen tegen mekaar.

Ze wisten het wel.

Louise wist het, en Sus en Schieve Smoel en Belleke van de Spiegel...

en aartsbisschop Alphonsus en burgemeester Franciscus...

Adriaan den brouwer, en Beire van de pensenkramekes...

Ze keken beschaamd naar de maan:

Lucas en een handvol begijnen, de baljuw en freule Sabina, de torenwachter, 'de Keunigin van Spanien'  en Karolus van de Leegheyt...

Alleen Michielken was verdwenen.

Volkomen ontnuchterd.

Heel stil en vlug was hij naar den Ham teruggekeerd, en weken liet zij zich niet meer zien.

De Mechelaars spraken er niet meer over.

Ze wegen in alle talen alsof er die nacht nooit iets voorgevallen was. 

Maar...

Je weet hoe dat gaat.

Je weet dat wel.

Het nieuwsje geraakte buiten de stadspoorten.

En er werd gelachten om de Mechelaars...  Gespot met de dommeriken van dat Dijle-oord...

Laat ze maar lachen...

laat ze maar lachen...

Na die nacht werd het ochtend, en al waren de Mechelaars toch wel diepbeschaamd om hun lichtgelovighedi: ze waren die nacht Maneblussers geworden - en ergens - heel ver, en heel diep, vervulde het hun hart met een zeker warm gevoel.

De wassende maan was naar hun diepste ziel verhuisd.

Want die nacht hadden ze het allemaal gevoeld.

Allemaal.

De Mechelaars van alle rang of stand.

Ze wisten sinds dat moment van collectieve zinsverbijstering dat niets hun heimatgevoel en hechte betrokkenheid voor stad en toren kapot kon krijgen.

En al zouden diezelfde Maneblussers later scheurpers en zagers genoemd worden: diep, diep van binnen, voelden ze zich sinds die nacht nog méér verknocht aan dit paradijs in Rombouts schaduw.

Ze zouden de naam van Maneblusser als eretitel dragen.

De Vader met aan zijn rechterhand die trouwe Rumoldus keken vanuit de Hogere Regionen neer op de stad-aan-de-Dijle.

Wat hielden ze beiden van die Mechelaars.  En God zag dat het goed was.

"Drinken we er samen een Gouden Carolus op, Rumoldus?"

Deze knikte en in het Maanlicht klonken ze. 

 

 

Opgedragen aan de Parijzenaars.  In solidariteit.

Met bewondering voor de moed en doorzettingsvermogen van al de brandweerlieden die het beste van zichzelf hebben gegeven om te redden wat kon.