In de schaduw van een provincienest. De Mechelse jaren van Alice Nahon

met categorie:  

 

Negentig jaar geleden verscheen Schaduw, de derde en laatste dichtbundel van Alice Nahon (1896-1933). Tijdens de verschijning ervan woonde Nahon in Mechelen, waar ze tussen 1927 en 1930 hoofdbibliothecaris was van de Stedelijke Volksbibliotheek. Met Schaduw deed ze tevergeefs een poging om komaf te maken met haar imago van zoetgevooisde dichteres. In het Vlaamse geheugen blijft ze nog altijd onlosmakelijk verbonden met de versregels ’t is goed in ’t eigen hert te kijken, nog even vóór het slapengaan, of ik van dageraad tot avond, geen enkel hert heb zeer gedaan, … Schaduw verdween tussen de plooien van de literatuurgeschiedenis.

 

 

Bibliothecaris van de Volksbibliotheek: Mechelaars zijn trage blusschers zulle!

Nahon was volop bezig met de voorbereiding van haar nieuwe dichtbundel Schaduw, toen ze solliciteerde naar de functie van hoofdbibliothecaris in Mechelen. Dat deze betrekking vacant was, vernam ze wellicht tijdens een bijeenkomst van de Vereeniging van Vlaamsche Letterkundigen in Antwerpen. Daar werd op 30 mei 1926 schrijver en Antwerps bibliothecaris Lode Baekelmans gehuldigd. Op die huldiging was ook Emiel Buskens aanwezig, beheerder-secretaris van de Stedelijke Volksbibliotheek van Mechelen. Hij vertelde dat op het einde van het jaar de Stedelijke Volksbibliotheek zou verhuizen van de Wollenmarkt naar de Minderbroedersgang en dat er naar een nieuwe hoofdbibliothecaris werd gezocht.

Emiel Buskens, tweede van rechts (Foto: Regionale Beeldbank Mechelen)

 

Nahon wilde aan een nieuw hoofdstuk in haar leven beginnen. Doordat ze op haar negentien verkeerdelijk de diagnose van tuberculose kreeg, bracht ze zowat acht jaar van haar leven door in sanatoria, vooral in dat van Tessenderlo. Pas jaren later kreeg ze van een dokter in het Zwitserse Luzern te horen dat ze helemaal geen tuberculose had, maar een chronische bronchitis.

In de periode die daarop volgde leidde Nahon een nomadisch bestaan. Ze verbleef enkele maanden aan de Italiaanse Rivièra en in het Franse provinciestadje Roquefort. Vervolgens keerde ze terug naar België waar ze onder andere logeerde in Maaseik, Brussel en Tiel bij vrienden en kennissen. Tussendoor verbleef ze nog kortstondig in sanatoria.

Maar aan dat zwervende bestaan wilde ze een einde maken. Ze zocht een inkomen en een eigen plek om tot rust te komen en te kunnen schrijven. Dat alles dacht ze in Mechelen te vinden. Daarom polste ze op 6 juli 1926 in een brief aan Lode Baekelmans naar de betrekking van hoofdbibliothecaris. Dat ze er echt op gebrand was om de functie te bemachtigen, blijkt uit het feit dat ze zelfs toenmalig minister van Schone Kunsten en Onderwijs Camille Huysmans hierover aanschreef. Op 5 november 1926 stuurde Nahon haar sollicitatiebrief naar de Stad Mechelen.

 

Geachte Heeren,

Ik heb de eer U te verzoeken mij te willen benoemen tot bibliothecaris van de Volksbibliotheek.

In onze letterkunde heb ik eenigen naam verworven door mijn dichtbundels. Ik ben lid van de Vereeniging van Letterkundigen in België en werd verleden jaar onderscheiden door de benoeming tot buitenlandsch lid van Maatschappij voor Nederlandsche Letterkunde te Leiden.

Als dochter van den leider van ‘de Nederlandsche Boekhandel’ te Antwerpen, en omdat ik eenigen tijd in dezen boekhandel heb gewerkt, ben ik vertrouwd met al wat boek- en bibliotheekwezen betreft, en namelijk met catalogeeren, keuze en behandeling der boeken.

Ik heb in het land en in den vreemde talrijke voordrachten gegeven. Mijne vertrouwdheid met letterkunde in het algemeen, met de Nederlandsche en de Fransche in het bijzonder, en mijn gedurigen omgang met de voornaamste tijdschriften, zullen mij zeker geschikt maken om de Volksbibliotheek te Mechelen en haar publiek, waar het noodig is, voor te lichten. 

Het diploma van bibliothecaris heb ik wel niet, maar misschien oordeelt U dat mijn letterkundige naam voorlopig volstaat: Ik wil gaarne bij de eerste gelegenheid het examen voor dit diploma afleggen. 

Ik ben dertig jaar oud en van Belgische nationaliteit. 

Met de verzekering dat gij op mijne toewijding kunt rekenen, bied ik U, mijne Heeren, de betuiging mijner gevoelens van hoogachting. 

Alice Nahon

N.B. Ik verklaar mij bereid naar Mechelen te komen wonen, indien ik benoemd zou worden.

 

Nahon mocht deelnemen aan het examen en kwam er als beste uit, maar ze botste op protest van het katholieke gemeentebestuur van Mechelen. De katholieke gemeenteraadsleden met burgemeester Karel Dessain op kop, waren gekant tegen een vrouwelijke hoofdbibliothecaris. Vol ongeloof en afschuw schreef ze hierover in een brief:

Dat het eene vrouw is!! Toen ik antwoordde dat in andere landen en hier ook vrouwen in de boekerijen zijn wisten ze niet goed wat zeggen en nu was het weer:  Mijne gezondheid! Het feit is dat de Kath. een andere kandidaat gereed hadden; een uit hun eigen winkel!! […] Mechelen. Een echte doode stad met vuile politiek en stomme pretentieuze burgerij. Maar enfin, ’t zal overal iets zijn. Ge kunt niet gelooven hoe stom die gemeenteraadsleden zijn!

Nahon liet zich echter niet zomaar opzij schuiven. Uiteindelijk trokken de katholieke gemeenteraadsleden aan het kortste eind. Op 17 februari 1927 kreeg ze eindelijk te horen dat ‘de gemeenteraad haar bij besluit van 10 februari benoemd had tot bibliothecaris van de Stedelijke Volksbibliotheek, ten titel van proef voor een jaar.’ Daardoor werd ze verantwoordelijk voor de boekaankopen en de administratie van de bibliotheek. Ze kreeg daarbij assistentie van hulpbibliothecaris Flor Lauwers en bibliotheekbeambte Walter Van Dyck. Nahon liet de bibliotheek meteen opfleuren met bloemen. Aan de muren liet ze schrijversportretten aanbrengen. Elke dag, behalve op maandag, kon je haar tijdens de openingsuren terugvinden aan haar bureau in de leeszaal. De functie gaf haar eindelijk wat financiële ademruimte. Ze kreeg een jaarwedde van 13.410 frank, die in februari 1928 werd opgetrokken tot 18.000 frank.

 

Ontmoetingen in Mechelen

(Foto: Regionale Beeldbank Mechelen)

 

Nu ze in Mechelen werkte, nam Nahon haar intrek in een appartement in de Hanswijkstraat 75, op de hoek met het Raghenoplein. Ze werd al snel opgenomen in het plaatselijke artistieke milieu. Iemand die ze nog van vroeger kende was organist en componist Flor Peeters, die in 1925 hoofdorganist geworden was van de Sint-Romboutskathedraal. Flor Peeters had eerder gedichten van haar op muziek gezet.

Ik ben eigenlijk begonnen als liedercomponist. Mijn eerste liederen waren geschreven op gedichten van Alice Nahon. Mijn eerste publicatie waren zes liederen van Alice Nahon, waaronder het bekende Heidekind. Mijn vrouw was trouwens een vriendin van Alice Nahon.

 

Flor Peeters (Foto: Regionale Beeldbank Mechelen)

Onder de schilders kon ze het goed vinden met Prosper De Troyer en August Gillé. Van die laatste kocht ze een kunstwerk, een zelfportret van Gillé.

Prosper De Troyer (Foto: Stadsarchief Mechelen, erven De Troyer)

Alice Nahon met portret van Gillé (Foto collectie Jos Verheyen)

 

Onder de schrijvers raakte ze bevriend met broeder Abel, in het echte leven Renaat Joosten (1902-1973). Het was op zijn vraag dat Nahon voor de 75ste verjaardag van het Scheppersinstituut een gelegenheidsgedicht schreef. Joostens was namelijk kloosterling-leraar Nederlands in het Scheppersinstituut. Kort daarop zou Joostens zelf als dichter debuteren onder het pseudoniem Albe en gooide hij zijn kap over de haag. Nahons lange gedicht verscheen in het souveniralbum van het Scheppersinstituut.

 

HONOR DEO, LABOR MIHI, UTILITAS PROXIMO

(Levensspreuk van Monseigneur Scheppers.)

 

Laat mij door donkren grond

Van menschenharten ruw en teer

Sturen den blinke-ploeg van mijn geestdrift, Heer!

En door de scherpe, trage eg van wijs beleid

Breken de klonters, dat de akker open leit

Effen, gereed voor zachten val van zaad,

Dat uit mijn droom en mijn twee handen gaat

Als poovre korrels, maar van kiemkracht groot.

Heer, maak mij zaaier op de velden van den nood !

 

En is de zaaimand om, die stil-mystieke tijd,

Laat er geen korrelken ontheven en verspreid,

Heer, op der winden wispelturigheid...

Die speelt er mee en gaat ijl-zingend heen

En strooit mijn zaaisel op sterielen steen.

 

Ik zie den landman zwoegen, spaar mij geenen last!

Hij welt met zwaren rol zijn zaden vast.

Heer, leg ook op mijn pand de zaden stil,

Geef mij d'arduinen welle van een sterken wil.

 

De zege rust op U! De arbeid is voor mij.

En 'lijk ik U bemin in ieder blij getij,

Moet àl gebaar van moeheid en van pijn

Een harmonieuze groet.

Naar Uwe glorie zijn.

[...]

 

Een Mechelaar die ook een bijzondere rol in haar leven ging spelen, was Prosper Verheyden. Hij was stadsambtenaar in Antwerpen en daarnaast ook secretaris van de Mechelse beiaardschool. Nahon leerde hem kennen het jaar voor ze in de bibliotheek begon te werken. Hij behoorde tot de kring van gemeenschappelijke vrienden in Maaseik. Verheyden was een groot bewonderaar van Nahon. Van zodra ze elkaar leerden kennen, heeft hij zich over haar ontfermd. Maar toch bleef haar hart voor een andere man kloppen, de Limburgse dichter en wijnhandelaar Jef Leynen, die het na één losbandige nacht met Nahon echter niet zag zitten om een relatie met haar te beginnen.

Van links naar rechts: Hilarion Thans, Prosper Verheyden, Maria Gessler, Alice Nahon, Jef Leynen (Foto:Letterenhuis Antwerpen)

 

Tante Mieke

Putte is een zalig dorp, doortrokken van jeugd-souvenieren.

 

Tijdens haar verblijf in Mechelen overleed op 25 februari 1928 haar meter en lievelingstante Mieke Gysemans. Nahon schreef voor haar doodsprentje het gedicht ‘Aan Tante Mieke zaliger gedachtenis’, later opgenomen in de postume dichtbundel Maart-April.

 

Een bonte bloemfontein over ons kinderjaren

is zij geweest;

Geheime kluis van troost voor al die ouder waren

naar hart en geest.

 

In kinderen en in bloemen zag zij Gods genade,

die waren d’enige weelde

van heur dagen hier beneê.

Zij sprak van ieder ’t goed, van geen het kwade.

Dat miek heur woning mild in wel en wee.

 

Zij wist de poëzie der schone Kempenlanden,

die stond in heuren hof als rijkbeladen boom.

Zij heeft zich uitgedeeld met brave, gulle handen,

vrij van schijnheiligheid

en van intentie vroom.

 

Toch is zij zelf een eenzaam hart gebleven

en niemand wist heur droefnis of droom.

Heer, geef dat zij na dit verborgen leven

U als vertrouweling

voor eeuwig tegenkoom.

 

Tante Mieke was een jongere zus van Nahons moeder, die in tegenstelling tot haar zus ongetrouwd en kinderloos bleef. Nahons moeder daarentegen kreeg maar liefst elf kinderen, waarvan Alice de derde was. Om het kroostrijke gezin te ontlasten, woonde Nahon haar dertiende en een deel van haar veertiende jaar bij haar tante in Putte en ging ze naar de Gemeentelijke Meisjesschool aan de Mechelbaan. Tante Mieke baatte de herberg ’t Kasteeltje van Namen uit. Nahon herinnerde zich haar verblijf in Putte als het mooiste van haar jeugd.

 

Aan 't verre Dorpken

 

Waar de hei te bloeien staat

Speelde ik ééns als kind;

'k Lachte en zong er, vroeg en laat

Stoeide er met den wind.

Och, 'k en wist geen leed, geen zucht,

Vlocht maar erica's;

Boven mij hing heel de lucht

Vol lobelia's...

 

[…]

 

Waar de hei te bloeien staat,

- 'k Wist geen woorden toen, -

Bloeide er op m'n jong gelaat

De éérste liefdezoen;

Zachtjes over 't dorpekijn

Zong wat avondwind:

‘Gauw zult ge vergeten zijn,

Blond idylle-kind.’

 

[…]

 

 

Schaduw van een boom over mijn hoofd gebogen

Ze wilde van haar vroegere werk niet hooren. Ze verwierp den geest en de stemming van haar vroegere verzen en ze verklaarde alles te doen, om boven die simpelheid uit te komen. Die houding heeft verwondering gewekt, vooral ook, omdat ze haar neerslag vond in den geheel andersoortigen bundel Schaduw. Het was de reactiehouding, nu ze, gezond en tot werken in staat, terugdacht aan de onnoodige sanatorium jaren en hun invloed. Daarom sprak ze van zich te schamen over haar melancholie en daarom ontkende ze met nadruk het eenvoudige van haar ziel. (C.T. in De Reformatie, 15.6.1934)

Onder druk van de negatieve kritieken op haar bloemlezing Keurgedichten uit 1926, onder andere van Paul Van Ostaijen, probeerde Nahon om moderner en expressionistischer te schrijven. Van Ostaijen noemde haar bloemlezing smalend ‘een oefenboekje op de vorming van diminutieven’. Deze kritiek wilde ze met haar nieuwe bundel keren. Van Ostaijen zelf heeft Schaduw niet meer kunnen beoordelen, hij stierf in maart 1928 aan de gevolgen van tuberculose.

Op het moment dat Nahon volop bezig was met de voorbereiding van haar nieuwe dichtbundel werd ze ongetwijfeld beïnvloed door de ‘kring van jongeren, in welken ze te Mechelen verkeerde en die haar dreef in de richting van de moderne kunstopvattingen.’ Een van die jonge modernisten die ze in Mechelen leerde kennen, was architect Jan Lauwers. Ze ontmoette hem voor het eerst in het atelier van Prosper De Troyer en herkende in hem meteen een zielsverwant. Kort daarop stuurde ze hem het manuscript van Schaduw.

Mag ik u vragen deze verzen te lezen? Ze zijn soberder dan die der 2 eerste bundeltjes die ik u ook zenden zal. Gij zijt de eerste mensch aan wie ik dat vraag, daarom vraag ik u dat gij er geen ‘gemeenplaats van artistieke ontmoeting’ in zien zoudt. Ik heb vertrouwen in uw oordeel waar het oordeel van duizenden mij immer zeer veel lijden doet, hoe goed het dan ook zij en hoe gunstig ook ten mijnen opzichte. Het goede dat gij erin vinden moogt zal mij een onzegbare vrede geven en het kwade een wenk tot werken.

In Schaduw staat in ieder geval niet alleen prieeltjespoëzie en lofzangen op elke bloem die ze tegenkwam. Er is een drastische inperking van verkleinwoorden en Gezelliaanse klankassociaties. ‘Stilte’ en ‘eenzaamheid’ blijven wel veel gebruikte woorden. Ze verwijzen naar een duidelijk gemis.

 

Ik heb de liefde liefgehad;

daarom wellicht heeft zij me niet bemind.

Zoo doet de mooie minnaar

met een zeer verliefde kind.

 

Ik heb de zon te lief gehad

en beu van beedlen

aan de deuren van de dagen

ben ik geworden als een varenblad

dat liever in den lommer leeft

dan zon te dragen.

 

En daarom bouwt mijn kommer aan een huis

waar lamp- en zonnelicht

getemperd zijn voor de oogen

en waar de soobre lijn van een gelaat

en waar de vrede van een vriendschap staat

lijk schaduw van een boom

over mijn hoofd

gebogen.

 

Schaduw werd uitgegeven in Antwerpen bij De Nederlandsche Boekhandel, de uitgeverij waarvoor haar vader werkte en waar ook haar vorige bundels verschenen. Het drukken gebeurde op aanraden van Prosper Verheyden in Mechelen bij de drukkerij van Willy Godenne. Graficus en boekontwerper Jos Léonard ontwierp een moderne omslag. Dit tot groot ongenoegen van vader Nahon. Hij vond dat de omslag helemaal niet bij de poëzie van zijn dochter paste, maar dat was nu net wat zij wilde.

Op 18 april 1928 stelde Nahon haar bundel voor in Mechelen in zaal De Eendracht op de Veemarkt. De ontvangst van Schaduw was in tegenstelling tot haar twee vorige bundels erg lauw en de verkoop zeer matig.

 

Heb geen lust meer om mij verder te begraven in een provincienest

Enige tijd leek het erop dat Nahon zich definitief in Mechelen zou vestigen. In april 1928 kocht ze een perceel bouwgrond aan de Battelsesteenweg. In december van datzelfde jaar verhuisde ze naar de Melaan 14. Ze had ook plannen om meer leven in de bibliotheek te blazen, zoals te lezen staat in een brief aan haar Antwerpse collega Lode Baekelmans:

Bestaat er een lees- en verteluurtje voor kinderen aan uwe bibliotheek? En mag ik misschien eens komen luisteren daarnaar om een goed model voor mijne bibliotheek te hebben? Mechelen is wel een zeer grillig volk om zooiets mee te beginnen, maar ik denk toch dat ik een tien à twintig vaste luisteraarkens hebben zou. (Brief aan Lode Baekelmans, 23.7.1929)

Maar haar gezondheid bleef haar parten spelen. Ze was vaak ziek. De vochtige en kille ruimten van de bibliotheek deden haar geen deugd. Uiteindelijk werd het voor haar duidelijk dat de Dijlestad niet bood wat ze verwachtte. Eind 1929 gaf ze haar baan als hoofdbibliothecaris op en verliet ze Mechelen.

Ik heb nu ook te Mechelen mijn ontslag genomen; heb geen lust meer om mij verder te begraven in een provincienest in een vochtig en ziltig gebouw. De goede burgers van mijne omgeving kunnen dit maar niet begrijpen: ‘Een zóó goede positie, en met pensioen op mijn 65e jaar!’. Dat lááttijdig dessert vóóral laat ik voor de liefhebbers. (Brief aan Fernand Berckelaers, 1931)

Voormalige Volksbibliotheek en beiaardschool aan de Minderbroedersgang (Foto: Regionale Beeldbank Mechelen)

 

Officieel stopte Nahon pas op 1 december 1930 als bibliothecaresse van de Mechelse volksbibliotheek, maar ze had al eerder haar intrek genomen in de kapelwoning van het kasteeldomein Cantecroy in Mortsel waar ze iets meer dan een jaar zou wonen. Met een tussenstop in Limburg en Berchem, nam ze begin 1932 haar intrek in een appartement in het Rubensgebouw aan de Carnotstraat in Antwerpen. Dat deed ze samen met Sylvia Newton, die ze als zeventienjarige leerde kennen in de bibliotheek in Mechelen en met wie ze bevriend raakte. Na een aanslepende ziekte stierf Nahon op 21 mei 1933 op zevenendertigjarige leeftijd. Haar Mechelse vriend Prosper Verheyden heeft haar tot op het einde verzorgd. 

(Foto: Letterenhuis Antwerpen)

 

‘Partir c’est mourir un peu’

Mourir un peu c’est de la blâgue

Il faut savoir mourir à fond

Je vous salue, Alice Nahon.

 

 

De kinderen van de Soetewey

in hun  blauw-baaien rokskens,

en blinkende blokskens 

van ‘s zaterdag vers gevernist 

zijn nog altijd vermist!

Volgens Leen Denyn, de kleindochter van Jef, had onze stadsbeiaardier ervoor gezorgd dat Alice Nahon, die bij hem kind aan huis was, de job van bibliothecaris aangeboden kreeg.