Zomerbabbel op de Leestse Kouter met Rik Lauwens en Josephine Polfliet

met categorie:  

(foto's: Jan Smets)

Honderduit heb ik met hen gebabbeld - gezellig op het terras van hun woning aan de Leestse Kouter.  Daarachter ligt een netjes onderhouden tuin omringd door het zomerse groen van het landelijke Zennedorp.  Beiden zijn energieke tachtigers die beslist over hun leeftijd liegen kunnen.  Rik Lauwens is in zijn 84ste levensjaar en zijn echtgenote Josephine Polfliet is drie jaar ouder.  Het is haar helemaal niet aan te zien.  Josephine is een spraakwaterval.  Maar de op het eerste gezicht iets bedachtzamere Rik is dat eveneens.  Ze hébben dan ook heel wat te vertellen.  Een boeiend leven hebben ze altijd geleid, en beiden hebben ze een stempel gedrukt op Leest.  Iedereen kent hen.  Rik was dan ook méér dan veertig jaar leider van het kerkzangkoor én trombonist in de fanfare Sint-Cecilia (nu Brassband Leest).  Samen met zijn vrouw heeft hij daarnaast ontelbare keren aan het kookfornuis gestaan bij dorpsfeesten.

Vele anecdotes worden opgerakeld.  Figuren uit Leest passeren de revue.  Maar daarnaast kom ik heel wat te weten over de naoorlogse geschiedenis van het Mechelse meubel dat niet erg veel later zijn finale doodsteek kreeg.  Immers: Rik was sculpteur.  Een hele goeie trouwens.  Hij maakte die laatste periode heel bewust mee...

 

 

 

(foto: Hugo Lauwens)

 

Josephine en Rik zijn telgen van twee grote en bekende Leestse families.  Het gezin van Jan en Mathilleke Lauwens-De Bruyn telde maar eventjes negen kinderen.  Het eerste kindje stierf al wel na amper vijf levensmaanden, wat niet uitzonderlijk was voor die tijd.  Daarna volde Julia die veel later nog een belangrijke rol zou vervullen in de Mechelse politiek.  Als Julia Vivijs-Lauwens stond ze op de CVP-lijst in een tijdperk dat vrouwen eerder uitzonderlijk waren op het politieke forum.  Na Julia volgden zussen Paula en Jeanne, en in 1934 zag 'onze' Rik het levenslicht.  Na hem kwamen nog Antoine, Willem, Leo en Maria ter wereld...

 

(Het gezin Lauwens-De Bruyn met grootmoeder Ida Peeters)

 

Ik ben geboren op de laatste dag van het jaar.  31 december.  Ik denk in den achternoen, maar dat weet ik niet helemaal zeker.  In Leest waren toen de teirdagen van de fanfare aan de gang.  Naar ik later hoorde vertellen heeft mijn peter, nonkel Rik De Bruyn, die een broer van mijn moeder was, en Rik-van't kot werd genoemd, er méér dan zat rondgelopen...  Of dat iets met mijn geboorte te maken had? ...

 

Feit is dat nonkel Rik zich altijd erg over zijn petekind heeft ontfermd.  Hij volgde hem van heel dichtbij en tekende zelf eigengereid toekomstplannen voor kleine Rik uit.  Rik De Bruyn werkte voor de bloeiende Mechelse meubelnijverheid en had een werkhuis aan zijn woning in Leest.  Vandaar dus 'Rik van 't kot'.  Hij was een heel bedreven ambachtsman.  Talent te over.

 

 

Mijn peter werkte lang voor Meubelen Stevens in de Colomastraat.  En na zijn uren was hij altijd aan de slag in zijn kot.  Hij wou dat ik ook sculpteur zou worden.  Van hem kreeg ik de eerste kneepjes van de stiel geleerd.  Later zou ik in het vakonderwijs in de Technische school van Mechelen houtbewerking volgen.  Na mijn studies moest ik van nonkel Rik nog meer vakbekwaamheid opdoen 'oep een ander', totdat hij me binnenloodste bij Meubelen Novella, van de familie Van Linthout aan de Hombeeksesteenweg waar hij ook werkte.  Daar heb ik ook vele jaren gewerkt.  Tot in 1968.  Zo'n twintig jaar.  Nog later ging ik aan de slag bij mijn tante Maria, een zus van mijn vader, in de Mechelse Borchtstraat.  daar werden karkassen gemaakt voor stijlsalons...  Wij noemden onszelf niet sculpteurs in die tijd, maar stoempers.

 

De Mechelse meubelindustrie was een paradepaardje van de Dijlestad.  Heel veel Maneblussers werkten in dit ambacht - van stoelenvlechtsters tot sculpteurs... Velen vonden hun broodwinning in dit aloude ambacht dat eeuwenlang erg gegeerd was.  Het vakmanschap van de Mechelse houtbewerkers stond hoog aangeschreven.  Nog overal in de wereld komt je Mechelse popjes tegen.  Om maar iets te zeggen.  Niet zelden groeiden gedreven houtsnijders uit tot ware kunstenaars.  Ze leerden de liefde voor het vak in het werkhuis van hun vaders.  Denk maar aan een Rik Wouters.  Maar er zijn er véél meer.  De typische zwaar gesculpteerde Mechelse meubels stonden voor kwaliteit en waren heel populair.  Gek hoe dit alles veranderde.  Nu krijg je ze bijna niet meer kwijt aan de straatstenen.

 

Niet alleen in Mechelen zelf waren honderden mensen aan het werk in het meubelambacht.  Ook in de omringende dorpen als Heffen of Hombeek of Leest was dit het geval.  In mijn familie alleen al ging het over een nonkel, een broer, een schoonbroer, een tante..., ik...  Maar hoe langer hoe meer kwam de klad er in.  Na de Tweede Wereldoorlog ging het steil bergaf met deze nijverheid.  Mensen wilden hoe langer hoe minder investeren in dure meubels en vonden een alternatief in moderne en in serie gemaakte meubels die véél goedkoper waren.  Tal van meubelzaken gingen over kop...

 

 

Ook Rik zou er mee te maken krijgen.  Ondertussen had hij zich wel al ontpopt tot een erg bekwaam sculpteur die prima werk afleverde.  Hij was duidelijk erg getalenteerd.

 

Ik ben chef van het atelier kunnen worden.  Op een dag trouwde de dochter van mijn baas Van Linthout met Mechelaar George Vanderbeek die goudsmid was (maar dit beroep nooit uitoefende).  Zijn broer was de bekende patissier aan de Steenweg.  George nam de zaak van zijn schoonouders over.  We konden goed overweg met mekaar.  Van hem mocht ik thuis werken.  Zo moest ik niet altijd meer over en weer rijden en kon ik rustig verder werken in mijn eigen kot.  Dat betekende tijdwinst.  George kwam regelmatig over de vloer bij mij voor een babbel en een pintje.  Later als het atelier gestopt werd spraken we nog regelmatig af.  Hij zal nu een tweetal jaar geleden overleden zijn.  In het atelier van Novella leerde ik ook mijn latere schoonbroer Jef Ceulemans uit Bonheiden kennen.  Hij had net als ik ook op TSM de stiel geleerd.  We werden bevriend.  Jef dacht om één of andere reden dat hij nooit aan een lief zou geraken.  Ik heb het toeval dan maar een handje geholpen en met een list zorgde ik dat Jef mijn zus Jeanne kon ontmoeten op de Vismarkt.  Ze zijn later ook getrouwd.  Zus Jeanne is nu al bijna tien jaar geleden overleden, maar Jef leeft nog.  Jef had nochtans een zwakke gezondheid en toen een nier bij hem werd weggenomen werd het werk in het atelier te zwaar voor hem.  Hij moest een andere job zoeken en vond dit in Brussel bij een dochteronderneming van de Société Génerale: Union Minière (nu Umicore).  Dat beviel hem wel.  Omdat het steeds moeilijker ging in de meubelindustrie probeerde hij me te overtuigen om hem te volgen naar dit bedrijf.  Dat wou ik eerst niet.  Zo'n moeilijke beslissing kon ik niet nemen.  Ik zag ook wel dat de stiel kapot ging, maar wat kon ik in Brussel beginnen?  Ik wist niks van de hoofdstad en kon geen woord Frans.  Eerder toevallig ben ik er toch kunnen starten en ik ben blij dat ik de knoop doorhakte.  Het was immers amen en uit voor het ooit zo befaamde Mechelse meubel.  Ik weet nog hoe ik het station van Brussel Congres afstapte, mijn sollicitatiegesprek, en een taal die ik niet verstond... Het was allemaal overweldigend.  Maar Jef had me op voorhand gezegd: "als ze je na dat gesprek naar de dokter sturen, dan ben je aangenomen".  Dan deden ze dus, en ik wist dat ik er kon beginnen.

 

 

Het was hélemaal wat anders.  Rik werd aangesteld als 'nettoyeur'.  Drie jaar deed hij dat, maar later werd hij onder lichte dwang naar de grootkeuken van het bedrijf overgeplaatst.  Verrassend.  Rik kende niks van koken.  Schoonbroer Jef was ondertussen in de drukkerij van Union Minière tewerkgesteld.

 

In de keuken van het bedrijf werd dagelijks gekookt voor zo'n vijfhonderd man.  Het was zwaar werk maar ik deed het graag en leerde er veel.  En ik moet zeggen: ik was er geire gezien.  Ook daar heb ik een twintigtal jaar gewerkt tot mijn pensioen in 1990.  Wat ik daar aan ervaring had opgedaan kwam nog goed van pas.  Het begon allemaal op een feest van de fanfare toen ik zag hoe traag en sukkelachtig m'n de biefstukken aan het bakken was.  Ik heb bescheiden mijn tips gegeven, en toen ging de bal aan het rollen.  Zo heb ik jarenlang samen met Josephine gekookt op tal van feesten van de fanfare, maar ook van de parochie en de school.  Sculpteren ben ik blijven doen.  Niet meer als beroep, maar voor mijn amusement.  Regelmatig kreeg ik bestellingen en ik kon eindelijk ook mijn eigen meubels die ik lang voordien aanzette eindelijk afwerken.  Want dat bleef altijd liggen door tijdsgebrek.  Nu maak ik nog sporadisch iets als iemand er om vraagt.  Grote dingen maak ik niet meer.  Trouwens: stijlmeubels verkopen niet meer.  Nog niet zo lang geleden kwam er iemand aan de deur met de vraag of ik een Heilige Geest wou sculpteren, in de gedaante van een duif.  Hij toonde me een foto hoe hij dat zag.  Ik wist niet waar die terecht zou komen.  Ik vroeg er niet achter.  Later vernam ik dat die nu in de gerestaureerde Sint-Petrus en Pauluskerk aan de Veemarkt te zien is - aan een altaar.  Zélf heb ik ze nog niet gezien daar...

 

Rik Lauwens heeft wel meer op zijn palmares staan.  In tal van kerken valt werk van hem te bewonderen.  Niet minder dan zes orgels voorzag hij van fraai sculpteerwerk.  de toenmalige pastoor van Hombeek die Rik goed kende, kwam hem vragen om het orgel van de Sint-Martinuskerk te restaureren.  Een restaurateur had hiervoor in een offerte 750 000 Belgische frank gevraagd.  Rik zou het gratis doen...

 

Eerst wou ik die opdracht niet aannemen.  Ik zei de pastoor dat er in Hombeek genoeg bekwame sculpteurs waren.  Maar op één of andere reden had de pastoor het op hen niet begrepen en hij bleef aandringen.  Hij wou dat ik het werk zou aanvaarden.  Uiteindelijk heb ik het gedaan.  Men was erg tevreden.  Mondreclame maakte dat ik later nog andere orgels in andere kerken mocht restaureren.  Op een avond rond 22 uur stond hier een pastoor aan de voordeur met enkele mannen bij.  Josephine was wat argwanend.  Wat kwamen die op dat late uur nog doen?  Ik liet ze binnen en ze legden hun plannen met tekeningen op tafel.  Allemaal voor een orgel voor een nieuwe kerk in Dendermonde: Sint-Jozef Arbeider.  ik heb het uitgevoerd in ajourwerk en men was er erg blij mee.  Ik deed dit voor slechts 19 000 frank.  Veel winst had ik er niet aan.  Maar ach: het was toch voor een kerk.  Later hoorde ik dat de opdrachtgevers voor mijn werk 40 000 frank hadden geschat.  Ik had mezelf dus mooi in 't zak gezet.  Peter Pieters, organist van Sint-Romboutskathedraal heeft dat orgel nog ingespeeld.  Zelf was de opvolger van de pastoor die me de opdracht had gegeven, me 'vergeten' uit te nodigen voor de inhuldiging.  Het werd later gelukkig rechtgezet...

 

 

Rik restaureerde ook nog orgels in de kerken van Baardegem en Kampenhout Elst.  Maar ook dit van de kapel van de vermaarde Landscommanderij in Alden Biesen.  Op dat laatste mag hij beslist trots zijn. 

In zijn geboortedorp Leest maakte Rik sculpteerwerk voor de veertien staties van de Kruisweg van de Sint-Niklaaskerk.

Rik Lauwens werd goed bevriend met legeraalmoezenier Georges Herregodts die jarenlang in Leest kwam wonen en er voorging in missen.  Hij was een echte kunstenaar - verfraaide een aantal kapelletjes met keramieken kunstwerkjes en hij erg van het Zennedorp.  Geboeid in haar geschiedenis schreef hij het boek 'Leest geweest'.

 

Hij kwam wonen in ons voormalig ouderlijk huis.  Mijn zus Jeanne en ik waren de eerste Leestenaars ie hij leerde kennen.  Hij was een sympathieke man - graag gezien in ons dorp, en zéker ook door de jeugd. 

 

De kerk stond altijd centraal in het leven van Josephine en Rik.  Ook al hebben ze hier en daar wat kritische opmerkingen op het instituut. Ze hebben evenwel een boon voor huidig Mechels pastoor Jan Arnalsteen omdat die zo 'gewoon' is.   In 1969 stopte de toenmalige dirrigent van het kerkkoor: Leo Hellemans.  Na zijn huwelijk ging die elders wonen, en de Leestse koorleden wilden zijn vader, de oudere meester Hellemans als zijn opvolger.  Maar toenmalig pastoor Lornoy zag dat niet zitten.  Hij zag in Rik de ideale kandidaat.  Ook de koster vond dit de beste keuze omdat meester Hellemans niet voldoende  muzikale capaciteiten zou hebben.  Maar dat was buiten de waard, en vooral buiten de oude krokodillen van het koor gerekend.

 

De koorleden zagen het niet zitten, en gingen dwars liggen.  Daarom wilde ik niet op de vraag van de pastoor ingaan.  Maar die hield voet bij stuk.  "Ik doe het niet!" zei ik.  "Je moet!" was diens antwoord. "Als Rik dit niet doet valt het koor stil!" bezwoer hij de mannen van het koor.  De oude koorleden hebben lang gediscussieerd en gingen in staking.  "Volhouden!" zei de pastoor.  Ik kreeg het later met hen nog aan de stok omdat ze enkel in het Latijn wilden zingen.  Ik wou immers ook een Nederlandstalig repertoire.  Later was er weerop een conflict omdat ik het koor gemengd wou maken.  Maar na al die schermutselingen is het me toch gelukt.  Excuses om de moeilijke start werden gemaakt en later werden we zelfs nog goeie kameraden...

 

Veertig jaar officieel (maar eigenlijk zijn het er drieënveertig) was Rik de geliefde koorleider.  Enkele keren wou hij zijn ontslag geven, maar dat werd nooit aangenomen.  Men kon hem niet missen, zeiden ze dan tegen Rik.  Maar na veertig jaar was het genoeg geweest.  Er kroop veel tijd en werk in. 

 

Maar na veertig jaar was het genoeg geweest.  Aandringen of niet.  Ik besloot na de mis mijn ontslag te geven.  Josephine was daar eerst niet mee akkoord.  Maar na de mis zei ik "Nu is het gedaan...Het is mooi geweest."  In een dankmis werd ik gehuldigd. Ik doe nu niks meer.  Maar elke week ga ik nog naar de repetitie van de fanfare, gewoon om op afstand te luisteren.  De liefde voor de muziek kreeg ik eveneens van mijn nonkel Rik mee.  In de fanfare van Sint-Cecilia leerde ik verschillende instrumenten bespelen.  Vooral trombone.

 

(Rik (rechts) met zijn broers Antoon en Willem, in de Koninklijke Fanfare Sint-Cecilia waarvan ook hun vader Jan ooit ook lid was)

 

Josephine is er na een lang telefoongesprek weer bij komen zitten, en ze vult het verhaal met tal van anecdotes aan.  We babbelen over het Leest van vroeger en nu.  Haar jeugdjaren bracht ze echter niet door in dit dorp.  Josephine is de dochter van Karel Polfliet en Marie De Prins.  Voor de Tweede Wereldoorlog verhuisde het Leestse gezin naar Lembeek.  Dit voor het werk van vader Karel.  Die werkte immers voor den IJzerenweg en diende zich te vestigen tussen Brussel en Braine-le-Comte.  Bewust koos het gezin Polfliet voor het laatste Vlaamstalige dorp.  Ze woonden in een routehuis van de NMBS.

 

Maar dan sloeg het noodlot toe.  Toen mijn vader 49 jaar oud was, werd hij als gevolg van een fatale vergissing gegrepen door een aankomende trein.  Hij stierf enkele uren later.  Ons moeder is met mij en de andere kinderen teruggekeerd naar Leest - naar de woning aan de Kouter naast het kasteeltje van Moyson, hier vlakbij.  De aanpassing was moeilijk.  Niet alleen voor haar.  Leest was toen nog een heel ander dorp dan nu.  Het kende een 'zware politiek'.  Dat zorgde soms voor een stevige strijd bij de verkiezingen.  In Leest had je de Sussen en de Blekken.  Beurtelings leverden ze een burgemeester af.  De Sussen waren verbonden aan de fanfare 'Arbeid Adelt' die in 1898 was opgericht.  De Blekken waren van Sint-Cecilia dat een jaar later het levenslicht zag.  In 1952 zat het er weer bovenarms op bij de gemeenteraadsverkiezingen.  Door een dispuut met de Blekken dacht pastoor Coosemans dat hij hen eens ferm de levieten kon lezen tijdens zijn preek.  Mijn grootmoeder, Peit Klet (haar zoon, en mijn nonkel, Nante De Prins stond op de lijst van de Blekken), deed wat de mannen niet durfden en stond recht: "Mijnheer pastoor: wij zijn zowel christelijke mensen als gij, en misschien nog christelijker!" Er ontstond tumult in de kerk.  Er klonk applaus én protest bij de tegenpartij.  Een aantal Blekken verlieten uit protest de kerk.  Onderpastoor De Decker diende zelfs enkelen zelf uit de kerk te zetten.  Peit Klet bleef zitten. "Ik niet te communie gaan?, zei ze strijdvaardig. "We zullen eens zien!"  zei ze tegen mijn moeder. Met haar gat achteruit is ze naar de communiebank gegaan en heeft ze die gekregen.  Ze was een heldin in he dorp.  Toch was ze er achteraf niet zo gerust in.  Zou men haar niet excommuniceren?  Met haar dochter is naar het aartsbisschoppelijk paleis in Mechelen getrokken, maar daar werd ze gesust.  De zaak werd toegedekt...

 

Josephine werd naaister en was daar zeer bedreven in.  Na haar schooltijd werkte ze in twee Brusselse bedrijven, maar na haar huwelijk in 1957 met Rik Lauwens werd ze huisvrouw.  Het koppel was altijd een tandem. 

 

 

Drie kinderen kregen ze: Willy in 1958, Hugo in 1962 en Maryse in 1966.  Ondertussen zijn ze ook al grootouders én overgrootouders geworden.

Samen zetten ze zich in voor Leest en de parochie.  Als kokkin was ze een echte hulp voor haar man, en tal van feesten hebben ze samen verzorgd.  Puur vrijwilligerswerk vaak.

Nu beleven ze - in het jaar van hun éénenzestig jarig huwelijksjubileum een mooie oude dag in hun woning aan de Kouter - de verbindingsweg tussen Leest en Hombeek.

 

In de eerste plaats zijn wij Leestenaars - ook al behoort dat nu tot Mechelen.  Ik kom niet zo vaak in het centrum omdat ik het te moeilijk bereikbaar vind.  Leest is natuurlijk niet meer wat het was.  Vroeger kende iedereen mekaar.  Dat is niet meer zo.  Hier woonden bijna uitsluitend boeren.  Een echt boerendorp was Leest.  Hombeek was anders.  Daar woonden ook meer geleerde koppen.  Men zei wel eens: "Hoeveirig Oembèk en dom Liest" .  Maar dat was vroeger.  Alles verandert...

 

 

 

In huis bewonder ik de prachtige, haast monumentale meubels die Rik in zijn leven heeft gemaakt: rijk gesculpeerd en tot in de kleinste details uitgewerkt.  Op de kast staat naast de Parijse bultenaar Quasimodo ons obligate Opsinjoorke...  Kasten, tafels,stoelen, spiegels: alles met liefde en veel vakkennis vervaardigd.  Ze beseffenook wel dat de mode in de loop der tijden veranderde.  Meubels als deze - hoe waardevol ook - liggen niet meer goed in de markt.

Josephine en Rik tronen me mee naar hun slaapkamer waar een groot - bijna koninklijk bed staat.  Rik maakte het voor hun huwelijk in 1957.  Op de bedsponde staan de initialen 'J' en 'R'.  Josephine lacht...

 

Daar zal zeker later niemand nog iets mee kunnen doen.  Tenzij je natuurlijk een koppel kan vinden met in hun naam deze eerste letters...

 

J en R.  Josephine en Rik.  Ze kijkt liefdevol naar hem.

Rik en Josephine: gesculpteerd verbonden. Gebeiteld geluk.

Josephine en Rik: twee mooie mensen...