Ray Gilles: een artiest zonder graf

Ray Gilles, 1982. (Foto Roland Minnaert)

Toen ik een tijdje geleden bij de stedelijke begraafplaats van Mechelen informeerde naar het graf van schilder en cartoonist Ray Gilles (1923-1997), kreeg ik een nogal onverwacht antwoord: ‘Het graf van Gilles Raymond Cornelus is er niet meer. De heer Gilles werd eind maart 1997 begraven in niet gekochte grond voor een termijn van 15 jaar. Het graf werd bijgevolg 15 jaar later, begin 2013, verwijderd.’ Zowat 10 jaar geleden had ik meer geluk, het graf van Gilles was nog onaangetast. Hij lag op het nieuwe gedeelte van de begraafplaats, een eenvoudig donkere gepolijste granietsteen. Ik heb spijt dat ik er toen geen foto van heb genomen.

 

Via mijn schoonmoeder Godelieve Van Mieghem leerde ik de cartoons van Ray Gilles kennen. Zij werkte voor Bloso, waar zij onder meer redactiesecretaresse was van het tijdschrift Sport dat tussen 1971 en 1976 door Gilles werd opgemaakt en geïllustreerd.

Gilles had een heel eigen tekenstijl. Hij combineerde minimalisme met barokke elementen, strakke lijnen afgewisseld met plooien en krullen. Heel typisch bij de figuren die hij tekende, zijn de langgerekte en plooibare vingers, de opvallende neuzen en ogen. Elke cartoon toont iets van de subtiele, gevatte, cynische, maar nooit bijtende humor die Gilles als geen ander in een beeld kon vatten.

 

Gilles als schilder

Pas veel later ontdekte ik dat Gilles eigenlijk begonnen was als schilder. In 1940-1941 studeerde hij schilderkunst aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Mechelen bij Geert Reusens. Daarna trok hij naar Antwerpen om zich te vervolmaken aan het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten. In Brussel schreef hij zich in aan het Nationaal Hoger Instituut voor Bouwkunde en Sierkunsten, beter bekend als het Instituut Ter Kameren.

De bovenstaande schilderijen dateren alle drie uit 1949

Aanvankelijk schilderde hij in neo-expressionistische stijl. Bij het zien van zijn schilderwerk schreef de jonge journalist-kunstcriticus Hubert Lampo dat ‘het niet om aan te zien was’. Kunstjournalist Jan Walravens daarentegen zag in de verwrongen en monsterachtige figuren een figuratieve weergave van het existentialisme. Samen met dichter-stadsgenoot Remy C. Van de Kerckhove sprak Walravens Ray Gilles aan tijdens een van zijn eerste tentoonstellingen in de Antwerpse expositieruimte Artes.

‘Ik stelde tentoon met uitgesproken expressionistisch werk in Antwerpen’, vertelde Gilles in een radio-interview in 1968, ‘waar ik voor de eerste keer Jan Walravens ontmoette. Hij vertelde me dat ik een existentialistisch schilder was. Ik wist in die tijd zelf niet wat het existentialisme was. Hij stelde me dus voor, samen met Remy Van de Kerckhove, om Tijd en Mens op te richten. Verder weet ik heel weinig. Ik heb een paar keer de redactievergaderingen bijgewoond. Maar dat is ook al.’

Walravens en Van de Kerckhove waren volop bezig met het opzetten van het nieuwe avantgardistisch tijdschrift Tijd en Mens. Vanaf het eerste nummer stond Gilles, samen met o.a. Louis-Paul Boon en Hugo Claus in de lijst van medewerkers. De omslag van het tweede nummer werd versierd door een tekening van Gilles en het nummer bevatte een korte tekst van Gilles met zijn bedenkingen over kunst met daaraan toegevoegd nog twee tekeningen.

‘Remy Van de Kerckhove en Jan Walravens drongen aan dat ik een artikel zou schrijven. Zij beweerden dat ik mijn brieven zodanig opstelde dat het interessant kon zijn om in het tijdschrift te plaatsen. Ik heb dan ook maar een artikeltje geschreven en in die tijd met veel zweten, want ik was bezeten van het schilderen. Ik dacht niet aan artikels schrijven.’

 

Tekening van Ray Gilles uit het tweede nummer van Tijd en Mens. 

Bedoeling was om van Tijd en Mens niet enkel een literair blad te maken. Ook de beeldende kunst moest een plaats krijgen. Van bij de start waren er voornemens om eigen exposities te organiseren. In een zaaltje van het koninklijk Atheneum van Mechelen waar op 13 oktober 1949 het eerste nummer van Tijd en Mens werd voorgesteld, was ook werk van Gilles te zien. Het jaar daarop in 1950 organiseerde Tijd en Mens twee groepsexposities in Brussel, in De Vlaamse Club en in de galerij Saint Laurent. Al snel evolueerde Tijd en Mens op vlak van kunst in de richting van Cobragroep en dat was niet naar de zin van Gilles. Vooral met het werk van Pierre Alechinsky liep hij niet hoog op. Rond april 1951, na het tiende nummer, verliet hij de redactie.

 

Gilles als kunsttheoreticus

Gilles experimenteerde intussen met abstracte kunst en begon te schilderen in de stijl van Wassily Kandinsky en Paul Klee. Zijn werk onderging een metamorfose.

‘Zijn asgrauwe tonen vindt men nog slechts in een paar kleinere werken terug; overal elders gaat hij zich aan een zonnige kleuren-orgie te buiten. Ook zijn gestileerde, nogal perverse, menselijke figuurtjes zijn verdwenen en het pijnlijke, het scherpe, dat tot nog toe zijn klimaat bepaalde, heeft zich opgelost in een resoluut, en ik zou haast zeggen vrolijk niet-figuratieve’. (Gazet van Mechelen, 21 november 1952)

Na de breuk met Tijd en Mens sloot hij zich in 1952 aan bij de pas opgerichte kunstenaarsgroep Art Abstrait. Daarin zaten o.a. Pol Bury en Jan Burssens. In diezelfde periode ontwikkelde Gilles een eigen kleurentheorie. In zijn huis aan de Auwegemvaart organiseerde Gilles discussiegroepen rond deze theorie. In die groep zaten zijn vrouw Stella Van der Auwera, Jean-Paul Laenen, Frans Van den Brande, Jan Dries en Willy en Jef Meysmans.

Jef Meysmans: ‘Ik ontmoette hem regelmatig. We hadden dan gesprekken, altijd over kunst en zijn manier van schilderen. Je mocht nooit tegen hem zeggen dat hij abstract schilderde. Schilderen was een wiskundige vertaling naar kleuren toe. Ik weet nog dat hij aan een schilderij bezig was, een straaljager in duikvlucht, wjoooooomauuuum, dat was een schilderij. Hij vertaalde die geluiden, de meetkundige getallen van geluiden in meetkundige getallen van kleuren. Die kleuren bracht hij op doek. Voor hem was dat geen abstract schilderen. Hij zag schilderen als wetenschap.’

Gilles was een onderlegd pedagoog die in verschillende kunstinstituten studenten probeerde warm te maken voor zijn kleurentheorie, onder meer in Sint-Lucas in Brussel, het Nationaal Hoger Instituut voor Bouwkunst en Stedenbouw in Antwerpen en de Academie van Bouwkunst in Tilburg.

Huis aan Auwegemvaart. In 1954 vroeg Gilles aan architect Renaat Braem om een huis naast dat van hem te bouwen voor zijn vader. (Foto Thomas  Eyskens)

 

Betonnen borstwering die Gilles ontwierp voor de woning aan de Liersesteenweg 386 (1959-1960). (Foto Thomas Eyskens)

 

Kunstenaarskoppel Stella en Ray

Het is niet helemaal duidelijk wanneer ze elkaar hebben leren kennen, maar ergens midden jaren veertig begon Ray Gilles een relatie met kunstenares Stella Van der Auwera. Ze zaten in dezelfde periode samen in de academie van Mechelen en Antwerpen. Kort daarna trouwden ze. Stella Van der Auwera zat eveneens in de redactie van Tijd en Mens en stapte na de breuk mee over naar de groep Art Abstrait. In haar schilderwerk volgde ze de wetenschappelijke methode van haar man.  Vanaf 1950 tot aan haar pensioen in 1980 doceerde ze sierkunst in de Koninklijke Academie van Mechelen.

Stella Van der Auwera, 1982 (Foto Roland Minnaert)

 

Gilles als cartoonist en illustrator

Pas eind jaren vijftig legde Gilles zich toe op het tekenen van cartoons, waar hij overigens meer bekendheid mee kreeg dan met zijn schilderijen. Tijdens een tentoonstelling in de Brusselse galerij Saint Laurent in 1959 waren naast zijn abstracte schilderijen voor het eerst cartooneske tekeningen te zien. Zijn grote doorbraak als cartoonist kwam er in 1961, toen hij deelnam aan het vierde Salon van de Vlaamse Humor.   

Kort daarna maakte hij ook internationaal furore met zijn cartoons. In Zweden, Finland, Zwitserland, Italië en Duitsland werd geregeld werk van hem gepubliceerd. In 1963 kreeg hij uitgebreid aandacht in het Duitse tijdschrift Gebrauchsgraphik, het jaar daarop in het eveneens Duitse blad Pardon. In het Italiaanse Bordighera kaapte hij op het oudste cartoon-feest van Europa in 1965 een grote prijs weg, de beker van ‘la Presidenza del Consiglio dei Ministri’, persoonlijk overhandigd door premier Aldo Moro, Datzelfde jaar reisden zijn cartoons naar Zuid-Afrika voor een tentoonstelling van Belgische spotprenttekenaars. Een prachtige bundeling van zijn cartoons verscheen in 1966 onder de titel Rayquiem.

Drie seizoenen na elkaar (1971-1973) ontwierp Gilles voor de Antwerpse KNS de affiches en de programmagidsen. Hij illustreerde verschillende boekomslagen, o.a. van de schrijvers Gaston Durnez en Jan Vercammen en wetenschappelijke publicaties van Frans Van Mechelen en Luc Delanghe. Van 1967 tot 1976 verzorgde hij de tekening op de omslag en de lay-out van het Davidsfonds Cartoonboek, dat naar aanleiding van de Wereldcartoonale en het Humorfestival in Knokke-Heist werd samengesteld. Op die cartoonale viel hij trouwens verschillende keren in de prijzen.

In Mechelen was zijn tekenkunst te bewonderen in de toenmalige bowlingzaal. Daar decoreerde Gilles een muur met een gigantische cartoon. ‘Een tekening van 22 op 3,5 meter die van de hele wereld een enorm kegelspel maakt, waar de ene Adam met een appel, de andere met een bom of een gevangenisbol van de baan wordt gegooid.’

De Stedelijk Bibliotheek van Mechelen heeft ook lange tijd een logo gebruikt dat werd ontworpen door Gilles, die goed bevriend was met de toenmalige hoofdbibliothecaris Jos Torfs. Het logo was een afbeelding van een vogel die bessen eet uit een hand. Een uitvergroting hing na de brand in 1962 boven de ingang van de bibliotheek. Bij de renovatie in 1997 is het spoorloos verdwenen.

 

Gilles als kinderboekenschrijver

In 1978 waagde Gilles zich aan een kinderboek dat hij zelf schreef en illustreerde, Druppeltjejan (1978, Davidsfonds, Leuven). Het gaat over het jongetje Jan, die op vakantie is aan de kust. Tijdens het zwemmen in zee blijft er aan zijn neus een toverdruppel hangen, die Jantje verandert in een druppel. Zo maakt hij een grote reis. Via Neptunus, de maan, de wolken en de zee ontdekt Jan wat het betekent om water te zijn, maar ook een deeltje van een groter geheel. 

 

De stilte rond Gilles

Begin jaren ’80 kreeg Gilles een hersenbloeding. In 1984 kreeg hij opnieuw een zware klap te verduren toen zijn vrouw Stella overleed. Daarna werd het bijzonder stil rond hem.

In 1985 werd er op initiatief van het stadsbestuur een hulderetrospectieve gehouden in het Mechelse Cultureel Centrum voor Stella van der Auwera en Ray Gilles.

Ray Gilles zelf overleed in maart 1997 in het zorgcentrum Ten Kerselaere in Heist-op-den-berg. Dit jaar zou hij 95 geworden zijn. Zijn graf is onherroepelijk verdwenen, maar gelukkig is er zijn werk, dat hopelijk binnenkort nog eens te bewonderen valt op een overzichtstentoonstelling.

Ray Gilles, 1982. (Foto Roland Minnaert)

Boeiend om lezen en bedankt om weerom een bijna-vergeten-Mechelaar terug een podium te geven...

Inderdaad boeiend verhaal, Thomas! Ook voor die andere bijna vergeten Mechelse: Stella Van der Auwera.

Haar oudershuis stond op de hoek van de Melaan en de Molenstraat  (nu Thaborstraat) kant Scheppers.