Vader Janneke

met categorie:  

  (foto's: Jan Smets)

Hij trok voorzichtig de deur achter zich toe en knipperde even met z'n ogen.  Het zonlicht bliksemde fel en deed de bolle kasseien blinken.  De harde schaduwen wierpen scherpe contrasten in het smalle straatje.  Maar hij trok zijn jasje keurig recht - ging met zijn linkerhand even strelend door zijn verzorgde sikkebaard en met zijn knokige rechterhand klemde hij zijn wandelstok vast.  Dat was een mooie.  De bovenkant van de stok waar nu zijn hand op ruste was fraai gesculpteerd.  Het toonde het hoofd van een wat wonderlijk en sprookjesachtig manspersoon met een lange baard en doordringende ogen.  Hij was trots op deze stok, en waar hij ging ging de stok ook mee.  Om de hoek van de Conventstraat zag hij net twee begijnen als onafscheidelijk duo de Nonnenstraat indraaien.  Hij stond even stil - als leek hij te twijfelen of hij links of rechts zijn wandeling zou starten.  Uit het Fonteinstraatje kwamen op hun houten klompen een paar belhamels gelopen.  De ene had zakje 'marbollen' bij.  "Dag vader Janneke!" riepen ze hem toe.  Eén van de twee veegde een dikke gele snottebel weg met de mouw van zijn hemd.  Hij glimlachte.  Hij kende deze belhamels.  En elke belhamel kende hem.  Gewapend met zijn noodzakelijke barbieratttributen trok hij twee keer per jaar langs de Mechelse stadsscholen om het jonge volkje te voorzien van een deftig kapsel.  Hij was hiervoor aangesteld door het stadsbestuur.  Dit was een gratis aanbod aan de Mechelse jeugd.  Enkel wie een 'frou-frouke' wou, diende hiervoor 1 cent op te hoesten.  Vader Janneke deed dit graag.  Het was een karwei dat hij voor geen geld van de wereld wilde missen, en het was een welkome afwisseling in zijn werkzaamheden als barbier-herbergier...

 

Vader Janneke stapte in de richting van de Vrouw van Mechelenstraat.  Hij voelde zich wat ijl in het hoofd.  Dat was al enkele dagen zo.  Hij kon het moeilijk verklaren, maar hij negeerde het gevoel.  Hij transpireerde ook behoorlijk - maar met deze warme dagen was dat niet verwonderlijk.  Op zijn voorhoofd stonden dikke zweetdruppels.

Hij hoorde de klokken van de Begijnhofkerk.  Van die klanken hield hij.  Er verscheen een monkellachje op zijn lippen.

Zijn vrouw, Moeder Lowiske, had hem bij het buitengaan nog gevraagd hoe lang hij dacht weg te blijven.  Ze was ook altijd zo bezorgd om hem.  Lowiske: een klein tenger vrouwtje met hoge jukbeenderen en een altijd wat zuinige en enigszins trieste blik.  Haar haren werden netjes in een knot bijeen gehouden en op zon-en feestdagen zette ze steevast een zwarte kanten muts op het hoofd.  Ze vroeg het hem toen hij de deurkruk al in de hand had.  Hij wist het niet, antwoorde hij eerlijk terwijl zij met een vochtige doek de cafétoog fatsoeneerde en een aantal glazen op de schabben zette. 

Ze zou wel zien wanneer hij terug kwam.  Moeder Lowiske zweeg.  Ze vond dat hij beter zou rusten.  Ook zij had ondervonden dat hij de laatste dagen niet helemaal zichzelf was.  Maar ze zei maar niets.

Al jaren hielden zij en Janneke café Het Doppenspel open in de Conventstraat.  Buurtbewoners kwamen er graag over de vloer om er bij te praten, wat te drinken en met de houten tollen van het doppenspel te spelen.  Vroeger had dit huis de vrome naam 'Sint-Engelbertus'.  Een gepaste naam in een rijtje met huizen als 'OLV-van Duffel', 'Sinte-Helena', 'Covent der Engelen',' 't Lammeken'...

Vader Janneke liep door de Katelijnestraat richting Grote Markt.  Hij had het warm.  Benieuwd was hij of de Jubelprocessie binnenkort ook nog op zo'n mooi weer zou kunnen rekenen.  Het was vrij rustig op de markt. Enkel twee paardenkarren stonden stil bij 'Margriet'.  Trots bekeek hij het nog haast gloednieuwe stadhuis - helemaal afgewerkt zoals Keldermans de plannen had getekend.  Het zag er allemaal zo vredig uit - zo vertrouwd: de gevels, de mensen, die fiere toren...  Helemaal of het nooit zou veranderen.

De warmte voelde benauwd aan.  Zijn witte knoken klemden de wandelstok krampachtig vast.  Hij stond even stil en veegde een paar zweetdruppels van zijn voorhoofd.

De hemel was staalblauw.  Geen wolkje te zien.

1913 was het.  De lucht zou niet blauw blijven.  Stilaan zou het donkerder worden en zou de hemel toetrekken.  Het was vijf voor twaalf.  De zorgeloosheid van de nog jonge eeuw zou niet blijven duren.  Het raderwerk was in gang gezet.  Langzaam maar zeker - ratelend - geduldig...

Hij besloot op zijn stappen terug te keren. Het leek of dat stappen onzekerder werd.  Of was dit inbeelding? 

Vader Janneke rechte zijn rug, en trok nog eens zijn jasje keurig in de plooi.  Langzaam gingen zijn voeten over de straatstenen.  De wandelstok tikte ritmisch.

De zon.  Ze scheen.  Ongenadig. 

Een paardenkar zette zich in beweging.

Beiaardklanken.

Een huisvrouw met een goedgevulde tenen mand liep hem voorbij. "dag vader Janneke!".

Hij knikte hoofs terug.

Het werd ijl in zijn hoofd.  Had hij niet beter naar Moeder Lowiske geluisterd?

de doppen tolden. 

draaïerig werd hij.

en de toren, de trapgevels... ze leken te dansen...

zweverig klonk het klokkenspel

en hol klonken de klanken van de ratelende kar op de kasseien..

Op de Schoenmarkt strompelde hij.

Hij viel.

Zijn magere hand loste de stok die hij zo krampachtig had omklemd.

Ook deze viel.

Op de straatstenen. 

Naar boven keek het fraaigesculpeerde, wonderlijke en sprookjesachtige gezicht van de man met de lange baard en doordringende ogen... Recht in het bliksemende licht van de ongenadige zon.

 

 

(mijn betovergrootouders Jan Derweduwen ('Vader Janneke') en Louisa Bauwens ('Moeder Lowiske').  Jan Derweduwen overleed in 1913...)