"Durft gij mee naar boven stijgen, trap na trap, wel gij zult naar asem hijgen, stap na stap"

met categorie:  

 

(foto's: Jan Smets)?

 

Durft gij mee naar boven stijgen trap na trap? Wel zult gij naar asem hijgen stap na stap.  Maar ge voelt er frissche lucht.  Hoort de toontjes in de vlucht!                                                                                                        

(versregels van Nic.Winkeler)

Heel onlangs kon ik een oud boek uit 1938 op de kop tikken.  Het werd geschreven door Louis Wachters en uitgegeven door het DavidsfondsFrans Van Immerseel zorgde voor de illustraties.  Het is het levensverhaal van Jef Denyn en natuurlijk is dit ook het verhaal van de beiaard.  Hoe kan het ook anders.  Het is heerlijk nostalgisch, romantisch hoogdravend en lichtelijk tot sterk chauvinistisch...  Ik kan het niet nalaten om jullie over mijn schouder passages te laten meelezen...

 

De toon wordt al meteen gezet:

 

Uit beelden en doeken en zangen, uit al wat een kunstenaar schiep, straalt bij als met toover omhangen, zoo innig gevoeld en zoo diep.

 

Het is een kort gedicht van W.Gyssels, en het is de inleiding van het boek dat 'eerbiedig wordt opgedragen aan Meester Denyn' die op het moment van uitgave de leeftijd van 75 jaar heeft bereikt.  Drie jaar later zou hij overlijden...

 

                                                      

Vlaamsche vriendjes, meer dan eens heb ge bovenstaande melodijvolle woorden al gehoord, misschien wel gezongen; wellicht nooit dacht ge aan de diepe beteekenis er van: Vlaanderen is groot en schoon, Vlaanderens grootheid en schoonheid worden en werden door zijn kunstenaars bezongen, geroemd.  Zijn kunstenaars! 'k Hoop maar dat ge er niet aan twijfelt, dat er op Vlaanderens bodem beroemde kunstenaars leefden en nog leven.  Even uw jong geheugen opfrisschen?  vooruit, een reisje in vogelvlucht door Vlaanderens rijke kunstgeschiedenis...

 

En dan volgt een indrukwekkend rijtje Vlaamse grootheden, om over te gaan naar 'hedendaagse' kunstenaars, die nu ook alweer in de nevelen der tijd zijn verdwenen... Het is een fraaie aanzet om het leven van Jef Denyn breed uit te borstelen...

 

Daar rijst voor mijn oog, in het verre land, een reus van graniet, op den Dijlekant:  Hij steekt er vol trotscheid zijn ruigen kop omhoog met een krone van eeuwen d'r op.  Hij schijnt er een schildwacht die overbleef, te log en te loom, en tot steen versteef.   En immer nog roerloos, moede en mat, doch trouwevast, waakt op zijn Bisschopsstad.  Nu dreunend, dan suizende galmt zijn lied, zijn weerga en vindt gij in Vlaanderen niet.                                                                

 

Hopla.  Qua chauvinisme kan het tellen dit gedicht van Kanunnik J.Muyldermans.  Auteur Louis Wachters geeft dan een korte beschrijving van wat een beiaard nu feitelijk is...  En er staan toch wel opmerkelijke, enigszins vermakelijke en wenkbrauwen doen fronsende zinnetjes in...  Wat te denken van deze:

 

 

Door sommigen wordt beweerd (te recht of ten onrechte), dat we 't klokkenspel te danken hebben aan de Chineezen...  Best mogelijk!  Wat hebben die ventjes met hun safraangezicht al niet ontdekt of uitgevonden.... (...)  Of er in het Eeuwige Rijk der Chineezen, het land der zoogezegde uitvinders, veel pagoden en tempels staan, die een stad, een dorp als 't ware besproeien met klare klokkenklanken, valt te betwijfelen.  Edoch, we zijn geen egoïsten en gunnen China het brevet dezer uitvinding, maar voegen er aan toe: beiaardkunst is Vlaamsche kunst!  (...)

 

Dan gaat het over hoeveel klokken een beiaard bevat, en heeft schrijver het over klokkengieterijen, en het gewicht van dat bronzen geweld.  Volgt weer een gedicht... Weerom van Nic.Winkeler:

 

Ziet ge daar dien man niet slaven?  Voet en hand.  Kloppen, haamren, schuiven, schaven.  Rand en kant.  't is de brave beiaardier die daar speelt op zijn klavier.

 

Lyrisch wordt Wachters nu helemaal als hij het over de haast heroïsche escapades van de beiaardier begint...  Met de woorden van Leonce Reypens: "De ziel van Denyn is de ziel van het land; als den beiaard hij roert in de avondbrand", vangt hij aan het levensverhaal van Jef te vertellen.  En dat begint bij zijn vader, Adolf die stilaan sukkelachtig wordt en wiens oogen verzwakten van langs om meer.  Jef die eigenlijk ingenieur wou worden zou zijn vader opvolgen als beiaardier op Sint-Romboutstoren... Maar focussen we ons even op wat anecdotes uit de vroegste kinderjaren...

 

't Ventje, hij was de oudste van vier, werd in 1862 te Mechelen geboren, den 19den Maart in de Beenhouwersstraat, op den hoek van het Geitenstraatje.  't Is een van de vele straatjes die uitloopen in den Bruel, de hoofader der oude Bisschopsstad.  Waarom men den knaap Jef noemde begrijpt ge allicht.  Zijn geboortedag was immers de feestdag van de Heiligen Jozef.  Jef is dus een Maanblusscher en hij is er niet weinig fier op! (...)  Ravottend liep hij de straten en werven op en af.  Menige poets, alle slag kattekwaad brachten gegeerde afleiding in het alledaagsche van zijn kinderjaren.  't Oude Vleeschuis bizonder oefende op de rakkers van dien tijd een heel merkwaardige aantrekkingskracht uit.  Met zijn vriendjes trok hij er naartoe.  Wat ze er uithaalden zal wel niet van het beste en het loofwaardigste geweest zijn...

 

Op een bepaalde dag wordt hij zelfs door baas Suetens van het Vleeshuis met z'n broek aan een vleeshaak opgehangen toen deze hem bij de lurven greep.

Toen vader Adolf blind werd, nam Jef zijn plaats in aan het beiaardklavier...

 

Adolf Denyn glom van vreugde, te weten dat een Denyn den Mechelschen beiaard in de toekomst zou doen zingen.  Zijn liefde voor die edele kunst lokte hem naar buiten telkesn zijn zoon beiaardde.  Aandachtig volgde hij in 't stamineeke onder den toren, soms met vrienden of kennissen, het spel van zijn zoon.  Hij luisterde, proefde, beoordeelde, prees of keurde af... (...)  Steeds bleef de man kalm en zacht, nooit klonken zijn aanmerkingen hard, nooit deed hij aan ontzenuwend, afbrekend werk...  (...)  Met den dag groeide zijn kunst.  Vlaanderen zou weldra een kunstenaar, een machtig kunstenaar meer tellen. (...)  Jef Denyn was een persoonlijkheid geworden!  Zijn advies werd gevraagd, gegeerd.  In 1893 stond hij te Roeselare.  In den toren hingen de klokken stom, al veertig jaar lang.  Denyn wekte ze uit den diepen slaap.  Ook te Oudenaarde en te Oostende herstelde hij het klokkenspel.  Tientallen steden en gemeenten uit het Vlaamsche land ontvingen zijn bezoek (...).  Zelfs in 't Walenland.  (...)  De zang der klokken zweefde door de luchten.  Frissche tonen, rijke klanken schoten uit de torens.  Een schoone heropbloei der beiaardkusnt trad in.  (...)  De halve wereld heeft hij afgereisd.  Jef Denyn, globetrotter!  Jawel, maar op zijn manier.  Niet om te zien, te kijken en te bewonderen; niet om het avontuurlijke, dat niet uitbleef op zijn verre en lastige tochten, doch alleen uit liefde voor zijnkunst trok hij naar Holland, Engeland, Frankrijk, Portugal, Oostenrijk, tot zelfs naar Amerika.  In groote steden van die landen gaf  hij concerten...

 

 

Zélfs naar het 'woeste Schotland' (!) trekt hij...

En in Amerika stond het bij hem vast: "Apostel wezen van deze specifieke Dietsche kunst in het meer dan zakelijke Amerika.  T'allen kante werd de vernieuwing aangepakt, alom rezen beiaarden uit den grond... en 't ging er steeds op zijn Amerikaansch: het bestaande overtroeven..."

De oorlogsjaren gingen ook Denyn niet voorbij.  Hij week met zijn familie uit naar Engeland. en ook persoonlijk leed bleef hem ginds niet bespaard in die periode:

 

Maar droefheid werd den meester niet bespaard.  Ver van zijn thuis heeft zijn hart gerouwd, eerst om 't overlijden van zijn duurbare vrouw, dan om 't vroege afsterven van zijn bemind dochterken Emma.  Te Mechelen werd een plechtige dienst opgedragen. 

 

In, Mechelen was de beiaard silgevallen tijdens de oorlog...

 

Toen eerst voelde men hoe doodsch en stil Mechelen was, nu pas besefte men dat de beiaard een stuk uitmaakte van het Mechelsche leven, thans wist men wat de klokken waren voor een volk. (...)  Zoo de torens in Vlaanderen in 1914 het begin van een ontzettend werelddrama aankondigden, vier jaar later waren zij de blijde verkondigers van de vredesboodschap.  Denyn hoorde in zijn hart den roep van 't lieve Vlaanderen,van zijn geboortestad, zijn vadershuis, zijn wakenden toren en zijn klokken.  Hij stak over en landde te Mechelen aan.  De gansche beiaard moest hersteld worden.  Ten koste van veel geld en zweet geraakte hij toch in orde.  Weer klepelden de klokke precies of er niets gebeurd was...

 

In 1922 richt Jef Denyn dan zijn beiaardschool op.

 

 

De auteur schetst dan een beeld van de beiaardschool, van het uurrooster tot de landen van waaruit al de studenten kwamen...

Een 'tweeden wensch' van Denyn kwam echter niet uit.  Hij zou graag een Mechelse klokkengieterij hebben opgericht.  Maar dat is er nooit van gekomen.

Een jaar na het honderdjarig bestaan van ons land, was er ook een Denyn-jubelviering.

 

Sedert vijftig jaar wist deze wondere goochelaar uit het zware, bronzen beiaardtuig de meest engelachtige klanken, de mooiste tonen te tooveren.  Gedurende een halve eeuw had hij zijn volk opgevoed door te geven het schoonste wat in hem lag.  Dit diende gevierd en wel op de luisterrijkste wijze.  Gansch de Dijlestad hielp mee aan de grootsche feestelijkheden die ingericht werden.  Er werd begonnen met een fijne tooneelvoorstelling in open lucht door het befaamde Vlaamsche Volkstooneel, Op Sint-Romboutstoren verzorgden enkele Vlaamsche beiaardiers een waardevol recital.  Denyn straalde.  Den volgenden dag greep er op het stadhuis een plechtige ontvangst plaats waarna een feestmaal...(...)  Hulpbeiaardier Staf Nees zorgde nog voor een puik muzikaal programma op Sint-Rombouts en meester Jef Denyn kreeg tot slot de gelegenheid zijn jubel uit te bazuinen over zijn lieve geboortestad, zijn lief Vlaanderen.  Oh! Hij voelde zich zoo door en door gelukkig!  Die feesten, die waardeering, die bewondering!  Lag daar niet het treffende bewijs dat velen reeds aan zijn zijde stonden, voor zijn ideaal gewonnen waren.  Met Nieuwjaar 1932 werd hij eervol ontslagen uit zijn bediening van stadsbeiaardier.  In den ontslagbrief dankte de overheid den nog kraningen klokkenist, hij werd 70 jaar op 19 Maart daaropvolgend, voor al wat hij gedurende zijn vruchtbare loopbaan had gedaan voor de beiaardkunst, voor de uitbreiding van Mechelen's roem.  Immers, heel wat vreemdelingen had Denyn naar de Dijlestad gelokt, wat zeker winstgevend moest wezen voor winkeliers en neringdoenders.  Nochtans wenschte de stad den meester te behouden als bestuurder der wereldberoemde Maandag-avond-concerten.  Niet alleen de stad, maar veel bewonderaars van den prins der beiaardiers wenschten en hoopten hem nog dikwijls te ooren...

 

 

Wat de moeite loont, wat ge niet moogt verzuimen als ge eens te Mechelen komt, is de beklimming van den Sint-Romboutstoren.  Hebt ge geluk en kunt ge 't doen onder leiding van Jef Denyn zelf of een bekwaam gids, zooveel te beter, het zal des te leerrijker wezen. (...)  Het beiaardhuisje is lang geen ongezellige plaats, want de meester versierde ze met ontelbare portretten en herinneringen uit zijn leven.  Hier zit dus Denyn wijl hij den toren zingen doent: een kleine mensch in die ruime plaats, midden 'zijn' klokken, en als het ware, beschut door dat bronzen pantser.  De man kan ze bekijken, lang en met liefdevollen blik...

 

 

Aan den voet van den torenreus ligt de stad, met haar onbeschrijflijk warnest van gebouwen met hun daken en schoorsteenen, gevels in alle kleuren en vormen; de stad met haar rechte lanen, kronkelende straten, smalle steegjes, kale pleinen en de markten als verstoorde mierennesten; alles omkranst met groene weiden, vruchtbare velden, waardoor Dijle, Nethe en Zenne zilverlinten trekken.  We genieten volop!  De beiaard zingt.  We genieten dubbel, vroom luisterend naar het klokkenkristal dat opklautert langs de torenflanken, den wijdschen hemel in...

 

 

Alle superlatieven worden bovengehaald...  Jawel!

 

We zien hem voor zijn klavier zitten en de klokken kneden gelijk de bakker het brood, om een woord van Emile Verhaeren te gebruiken.  We hooren hem klassieke werken voordragen, onze oud-Vlaamsche liederen verwerken tot genietbare stukjes kunstmuziek, zijn wondermooie Praeludiums uit het brons trekken zoodat een traan van aandoening tusschen de wimpers komt parelen.  Hij is de goochelaar, de toovenaar, die de mooiste klankgedichten uit de klokken haalt.  Want hij kent zijn klokken en wil dat ze alles geven wat in hen besloten ligt.  Hij hamert en beukt, stampt, slaat de klanken den toren uit om ze neer te strooien over de menigvuldige bewonderende luisteraars, waaronder President Wilson, Poincaré, de vorsten uit Spanje, Italië en België, kardinalen, kerkvoogden, waardigheidsbekleeders allerhande.  Hoe dikwijls is 't niet gebeurd dat de Mechelaars den toren hoorden zingen op ongewone uren van den dag?  Hoe dikwijls hebben de menschen niet naar de verklaring van dit ongewoon gebeuren gevraagd?  En het lang voor de hand!  Ergens in een stil straatje, in den hof der Beiaardschool of van het Aartsbisschoppelijk Paleis, stond onbewogen, aandachtig luisterend, een voornaam persoon te proeven, te genieten van Denyn's geschenk: een ruiker mooie klanken uit Mechelen's toren...

 

Het zijn maar enkele uittreksels uit dit emotioneel geschreven boekje.  Ik wou ze jullie niet onthouden.

Zo wordt het boek besloten...

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Jef Denyn - Een gouden jubileum