Maria Verhaeghen werd 100 jaar, een wild verhaal over gevogelte op de Ijzerenleen.

(Foto: Rudi Van Poele)

Wie kent er niet de oude  “kiekenpoelier” op de Ijzerenleen? Ja de “schieve Verhaeghen”, of Victor Verhaeghen voor oudere generaties een begrip in Mechelen. Tijdens een wandeling op de IJzerenleen  werd Rudi Demets aangesproken door haar nicht Linda Verhaeghen. Haar tante Maria, de zus van de “schieve”, kende namelijk nogal wat anekdotes over de IJzerenleen. Zij vertelde ook dat Maria op 10 december 1915 te Sheffield in Engeland werd geboren tijdens WO I . Toen Rudi een lezing voorbereidde over de gebeurtenissen in 1914 ging hij bij Linda te rade.  Zo rijpte de idee om haar eens te  interviewen. Ik ging samen met Rudi en Linda Verhaegen naar het Hof van Egmont, waar Maria nog steeds verblijft en op 10 december 2015  100 kaarsjes mocht uitblazen.

 

Maria als hulpverpleegster bij de Gasthuiszuster te Mechelen (WOII)

Maria:

Ik heb tijdens WO1 in Engeland gewoond, maar daar heb ik geen herinneringen meer aan. Na de oorlog ben ik met mijn ouders in de Keerbergstraat 12 te Mechelen gaan wonen.
Ons moeder verkocht kippen en konijnen in de inmiddels afgebroken Groenmarkt aan de Botermarkt. Grootmoeder had een paardenbeenhouwerij in de Geitestraat. Mijn oom was Louis Borms. Die woonde in een villa op de Antwerpsesteenweg. Hij was de schoonvader van Rik De Saedeleer, de kameraad van mijn broer Jean, die samen met Rik voetbal speelde.

Als kind ging ik tijdens de vakantie mee naar de markten. De kippen en konijnen werden thuis in de Keerbergstraat geslacht. Op het laatste gebeurde dit aan het Schuttevee aan de Katelijnestraat.

Een buur van ons was Jan de klokluider. Indertijd werden de klokken door twee klokluiders aangetrapt. Wij gingen dan mee op te toren om te gaan kijken. We waren dan bijna doof van het lawaai.

Ik kende ook Jef Denyn heel goed. Zijn ouders hadden een wijnwinkel op de hoek van de Geitestraat. Hij noemde mijn moeder altijd “Manske”. Hij was een plezante, goede man. Zijn broer Adolf was ook beiaardier. (correctie - nvdr: Adolf was de vader van Jef, Hij werd blind en werd door zoon Jef opgevolgd) De kinderen mochten dan mee op de toren. Mijn moeder heeft dat dikwijls meegemaakt. Wij gingen alle jaren een keer op de toren.

Nu  ben ik oud en versleten, ik ben bijna honderd jaar, ik verjaar op 10 december.

Ik heb hier nog veel foto’s van vroeger. Onder andere van mevrouw Van Breedam van het Anker. Ik ben nog regelmatig erwtensoep gaan eten in de kazerne. De commandant was een zekere Nelissen van de Keldermansvest. Ik heb ook nog een wielerclub van vroeger gekend, “La Ligue Cyclopedique”.

Vader Victor was een bekend renner in het Mechelse. Maria heeft nog verschillende originele foto's van hem, op de inmiddels verdwenen wielerpiste aan de Liersesteenweg, vermoedelijk later de oefenpleinen van Malinois.

                               Victor Verhaeghen op de oude piste Liersesteenweg

Ik heb ook nog de advocaat Van Kesbeeck gekend, van de Racing. Ik heb nog geweten dat de zwemdok geopend werd. (nvdr: 1924) Wij waren absoluut voor de Racing. We zongen een liedje: Racing maakt de supporters blij. Die van Malinois waren de vijand.

Ik heb school gevolgd bij de zusters (Loretten) in de Begijnenstraat. Daar mochten we geen Vlaams spreken, alleen Frans. Daar werden we voor gestraft, dan kregen we een sleutel en mochten we niet gaan spelen. Het kwam er dan op aan de sleutel aan iemand anders door te spelen die betrapt werd op Nederlands. Op 17 jaar wilde ik niet meer naar school gaan en ging ik mee in de winkel staan. We verkochten er wild dat ’s zondags door de jagers werd binnengebracht. Mijn broer Louis ging op maandag naar de Criée in Brussel, waar de jagers ook wild verkochten. Wij wisten dan reeds wat we tekort kwamen. Mijn vader kocht onder de naam Malines, en miss Lelijk (!), die voor ons op de IJzerenleen gewoond had, kocht ook onder de naam Malines. Ze zijn ons dan in de Criée Tokyo gaan noemen. Dat is tot op het laatste onze roepnaam gebleven. Wij kochten alleen de eerste loten, minder gekwetste dieren. Tweede loten kochten we niet, en dan was er nog een laatste klasse, het afval.

Een Criée te Brussel is niet meer terug te vinden. De enige overdekte hal die hier gelijkenis mee vertoont is de Criée van Antwerpen, die nog steeds in gebruik is. De naam komt nog van voor de oorlog, toen de voedingswaren nog werden afgeroepen.

Onze winkel was op de IJzerenleen, naast de “chemiserie” Mille. Onze zaak heette gewoon “Wild en gevogelte”. We gingen ook leveren bij kardinaal Mercier. We kregen dan een kruisje en moesten op onze knieën gaan zitten. Kardinaal Van Roey was een rode. In de oorlog stond er op het bisdom ‘Rooie Jef” geschilderd.

Rudi DM: hoe zat het eigenlijk met de kabardoesjkes in de Blauwhondstraat. Ik heb gehoord dat ze die afgesloten hebben in 1949 bij een bezoek van regent Karel, die een bepaalde reputatie had op dat vlak. Hij kwam in Mechelen op bezoek en dan hebben ze de Blauwhondstraat aan de IJzerenleen afsloten. Ik heb dat horen zeggen, maar ik weet niet of dat waar is.

Maria: in deze oorlog (WO II) had een van de serveuses van de “Monrose” van één van de Engelse soldaten die daar binnen zaten een portefeuille gepikt, en die waren daar zo kwaad over dat ze die met haar kont op de brandende “tortue”  hadden gezet, zo’n ronde stoof. En die heeft heel lang in de kliniek gelegen.

Rudi DM: en dat was van voor uw tijd zeker, van Patatten Leen, die haar vent heeft doodgeslagen?

Maria: ja, Patatten Leen, maar ja, die woonde in het hoekske, naast de Elyzee, maar die is niet gestraft geweest, met één slag moogt ge hem doodslagen. Haha.

“patatte Leen “ met witte kapje

Rudi DM: ja maar die is niet gestraft geweest, want haar vent sloeg haar altijd af, en op een schone dag was het teveel, dat zou gebeurd zijn in 1890. Daar bestaan foto’s van, van haar met haar familie met een wit “kèppeke”.

Maria: ik heb het mijn grootmoeder altijd horen vertellen. Ze woonde naast de Elysee, een grote plaats waar schrijfmachines en alles in stonden. Dat heeft ooit Achilles uit de Alcazar begonnen.
 

Rudi DM:  “Mieke Mandje”, zegt dat u nog iets?

Maria: Mieke Mandje doet affaire, ze woont op den IJzerenleen, ze verkoopt gebakken peren, en van alle snuisterij, dat ken ik.

Rudi DM: Mieke Mandje doet affaire, en ze doet er nog wat bij, ze verkoopt gebakken peren, en van alle snoeperij. Woonde die ook in de Blauwhondstraat?

Maria: die stond met een kraam op de IJzerenleen

Rudi DM: en ze verkocht “meulders” ( meikevers) ook

Maria:  ja, “meulders”, en deden wij daar dingskes

Rudi DM: toespellekes he, en dan zong je toch een lieke?

Maria: beesje beesje meuleke

Rudi DM: zingt: beesje beesje meuleke, en dat beesje ging naar ’t meuleke, van de ramplanplan, van de meulestam, op zijn blokskes, op zijn sokskes, biesje biesje meuleke. In Mechelen is een “biesjemeuleke” ook een lieveheersbeestje he. 

Maria: ha ja?

Rudi DM: ja, een lieveheersbeestje is in Mechelen ook een biesjemeuleke geworden, maar in andere steden is dat altijd een meikever geweest.

Linda:  en dat liedje dat ge zingt met de Mechelse wandeling aan de Lamot?

Rudi DM:  aan de oevers van de Dijle, diep verscholen in het riet

Maria: in het riet, karekiet in het riet, gij kent mij niet

Rudi DM: ja dat is toch iets anders he

Maria: ja in de “Vestscholen”, “voor niets” scholen he ( dus gratis?), daar zongen ze dat. En mijnheer de Vos

Rudi DM: die gaf les aan mij, en die had een zaak IMB, in de Egmontstraat.

Maria: ja, maar dat was die Devos niet. Dat waren twee broers, en die spraken niet tegen een, en die woonden op de Schuttersvest.

Linda: als ik met haar naar onze pa reden, dan waren we aan het park van Charel

Rudi DM: wat was dat park? Was dat een van de burgemeesters?

Maria: ja, dat was de burgemeester

Rudi DM: was dat Charles Dessain?

Maria: ja, dat was Charles Dessain, dat huis is daar nog, met die poort he

Rudi: waar zijn we nu weer?

Linda:  ja, aan de Zandpoortvest, aan de BIM, en naast de BIM staat een huis en daar is nu een architectenbureau en zei dat dat het huis was van Charles Dessain.

Maria: het park van Charel, dat stond vol tonnekes vroeger, en de mensen die woonden in die tonnekes

Rudi DM: van die ronde noodwoningen. Ik heb daar nog foto’s van gezien

Maria: daar gingen wij spelen.

Na WOI kwamen er op de Zandpoortvest een aantal houten noodwoningen,. niet veel meer dan houten barakken, die "tonnekens" genoemd werden. De wijk werd ook"Matadi", "Kongo" en "Het Park van Charel" genoemd

                                 De tonnekes na WOI - Foto Beeldbank Mechelen

Rudi DM: maar achter de Racing hebben ze die toch ook gezet he, daar hebben ze twee wijken gezet.

Maria: ja maar die hebben ze weggedaan he.

Rudi DM:  ja, ze hebben die vervangen door stenen huizen, maar oorspronkelijk waren dat ook houten barakken, in de Elektriciteitsdraad, de wijk Algerije en de wijk Marokko.

Maria: ja was op de Liersesteenweg

Rudi DM:  dat was de Katanga, de Fransen hadden in hun leger Algerijnen en Marokkanen en wij hadden Katanga, dat was van de Congo daar is ook gevochten geweest in de WO1 tegen de Duitsers. De Katanga is nog altijd bekend hé

Linda: in welk jaar zijt ge op de IJzerenleen komen wonen?

Maria: ik geloof dat ik 16 jaar was. Onze Bert Van Opstal ,een kozijn van onze pa, van de viswinkel had het gekocht. Netteke Poels van de schoenwinkel daarnaast wilde het ook kopen voor haar zoon die apotheker geworden was. En daarmee zei onze pa tegen onze Bert: koopt gij het, maar geef mij ?.

Rudi DM: dat was dus een stroman.

Maria: ja en dan zijn we naar daar gaan wonen, in de Keerbergstraat, daar had mijn grootmoeder verschillende huizen. En een grote hof, die kwam tot tegen het Sleutelstraatje, en Julia, de Ullenboer (steenkoolhandelaar)

Rudi DM: Petrus de Ulleklont, die zou 44 mensen gered hebben.

                   Petrus den Ulleklont                        ’t Schief smoeltje

 

                          Willem Geerts: Petrus de redder - foto Jan Smets

 

Petrus den Ulleklont heette Petrus Leopold Janssens. “Ulle” betekenen gewoon “steenkolen” Hij is geboren te Mechelen in 1871 en overleed er in 1942. Hij opende café "Tombola" in de wijk Den Ham, eerst aan de Meysbrug, later aan de Huidevettersstraat.

Daarnaast had hij nog een kolenhandel met kar en paard, een grote hondenkar en een stootkar.Het beeld dat sinds de opening op 6 juni 1924 in het oude zwembad van Mechelen staat, is door Willem Geets gemaakt in 1919 en stelt De Redder voor. Het heeft echter niets met de zwembadredders te maken, maar wel met de 44 reddingen uit de Vlietjes, door Petrus Janssen . Petrus heeft steeds een vaste betrekking als redder in het zwembad geweigerd, daar was hij veel te zelfstandig voor. Er wordt nochtans wel veel geschreven dat het beeld hem als zwembadredder voorstelt, maar dat klopt dus niet.

 

Maria: ja, maar den Beckx, zijn zoon heeft er ook veel gered. Zijn zoon Charel werd altijd geroepen als er een kind in de Dijle was gevallen

Rudi DM: maar cafe’s, het Scheef Smoeltje, zegt u dat iets?

Maria: Lisa van het Scheef Smoeltje, die woonde, die had staminee hé, Op de hoek was Beterams van de Keerbergstraat, en daarnaast was het Scheef Smoeltje hé.

Rudi DM: ik ken die familie nog, ik liet daar nog eens een foto van zien en die zeiden: ons moe!

Maria: Lisa haar dochter was mijn kameraad

Rudi DM: en is dat verhaal waar?: bij die met haar dikke tetten ?

Maria: nee

Rudi DM: het schijnt dat er een café was en dan zeiden ze: we gaan er een drinken bij die met haar dikke tetten, ik denk aan de Tichelrij.

Maria: dat was het Spaarkaske? En dat was op de hoek van het Lamotstraatje, het Zeestraatje

Rudi DM: nu is dat de Van Beethovenstraat

Maria: ja, het Spaarkaske

Rudi DM: ik heb een waanzinnig verhaal gehoord: die deden elk jaar een uitstap

Maria: ja met de bus

Rudi DM: met de bus, en op zeker ogenblik zijn die met bus naar Parijs gereden ( nvdr: naar het schijnt met een grote Belgische vlag op de motorkap) en ze gingen in een hotel slapen en daar zijn ze buiten gevolgen omdat ze teveel van hun tak maakten.

 

                                 dames van spaarkaske café “dikke tetten”

 

Maria: ik weet heel goed, den Ben Geeraerts heeft dat verteld, ze gingen naar Parijs, en een vent moest kakken. Zijn vrouw zei: “ja wat moeten we doen, we zijn hier in Parijs, weet ge wat zet u op het venster en schijt door het venster.

Linda: geen wonder dat ze daar buiten vlogen.

Maria: en toen ze wakker werden keken ze door het venster waar dat was en daar was een vrouw een kuip met legumen aan het uitkuisen met een visspaan. En dan zei ze: ge moet niet niet eten he, als het legumen zijn. De Belgen aten niet mee. Die moesten het niet hebben… Het was afgeschept hé.

Rudi DM: en Schijt in de Ketel, waarom heet hij zo?

Maria: dat was zijn bijnaam.

Rudi DM: maar waarom?

Maria: dat weet ik niet.

Rudi DM:  ik heb ook wel wat verhalen daarover

Maria: op de Liersesteenweg hé en Paul de Schijter was daar een van hé

Rudi DM: dat is zelfs een mars van het leger he: Broekschijterij, broekschijterij, dat is dat marske van het leger hé Maria: als ze van het bos kwamen zongen ze die liedjes hé.

Rudi DM: de eerste versie zegt dat hij met een stuk in zijn voeten thuis gekomen was en hij had in de ketel gescheten. Tweede verhaal: hij stond op de Voddenmarkt, en als hij moest kakken ging hij in een ketel kakken.

Maria: Ik weet het niet, dat is gelijk Paulien hé.  Paulien Frut, die ging op een vent zijn schoot kakken.

Linda: heeft ze het verteld daarjuist?

Maria: Paulien, die moest heel haastig naar de koer, maar stond met haar kraam aan de Bergere en ze liep naar binnen en daar zat een vent op de WC en ze had dat niet gezien, en ze ging pissen op die vent zijn schoot.

Rudi DM: ik heb ook horen zeggen: waarom had die Paulien zo’n goede friet? Wel die piste af en toe in haar frietvet, maar ik heb ook horen zeggen: die had een pispot in het frietkraam, en die had gewoon een snelzeiker en dan ging ze daarop hé.

Maria: mijn grootmoeder Borms had dat nog, de grootmoeders droegen dat nog hé… Wis Lo

Linda: onze pa zei dat vroeger dat ze met hun lange rokken boven de rooster gingen slaan

Rudi DM: maar Wis Lo wie was dat?

Maria: die had een staminee op de Botermarkt.

Rudi DM: mijn ouders praatten daar ook over.

Maria: onze pa was een goede biljarter, en hij moest spelen tegen de kampioen van Holland en hij moest die laten winnen.

Rudi DM: dat zou nu niet zijn.

Maria: en dat is Franske Peeters, die woonde op de Bruul, die had daar staminee. En die had een zoon, die zit hier te bleiten. Die had juist een vossing gehad. Dat was in het staminee onder de toren. Hoe heette die nu weer

Rudi DM: de Wildeman?

Maria: neen.

Rudi DM: de Memling?

Maria: nee, dat is de vader van een bekende loper, de baas van de velodroom in Walem. Maar er werd vroeger veel meer gelachen dan nu. Als ze nu een frank hebben laten ze het voor tien frank voelen. Dit is onze pa in de velodroom.

Rudi DM: was het die van Walem of op de Liersesteenweg.

Maria: op die van de Liersesteenweg, het smal straatje, daar is de voetbal nu, daar was de velodroom.

Rudi DM: Gij waart een goede zwemster he?

Maria: jaja. Mechelen was een plezante stad.

Rudi DM: de laatste tijd is het terug gebeterd. De IJzerenleen is heeft nu heel wat voeding.

Maria: altijd geweest, Schockaert, voordat die op de Leen is komen wonen heeft die op de Leermarkt gewoond.

Rudi DM: Schockaert is daar maar pas in de jaren 20 gekomen. Op de gevel staat 1919. Op een bepaald ogenblik was ik daar met een groep en daar stond: hier rijpt vanaf 1915 de kaas. En die mensen zeiden: maar alle dat kan toch niet. Daar staat 1919, en dan zei ik dat de zaak waarschijnlijk eerder was begonnen.

Maria: in de Bruul, in een klein smal winkeltje, naast Holemans, hebt ge die nog weten wonen in de Bruul.

Rudi DM: in de smalle Bruul, want Holemans was eerst naast de Geitestraat, ik heb daar nog een foto van, ge ziet hem daar staan, Holemans met de boekenwinkel, en daar zei iemand, Holemans was toch in de smalle Bruul? Die is verhuisd, dat is nu de Hema

Maria: daar mochten wij komen spelen. Hij had een zoon, die is gestorven, die is verongelukt en zijn vrouw ook

Rudi DM: ge kent toch ook dat verhaal he?

Maria: ja, die staat op het stadhuis.

Rudi DM: is dat ook madam Holemans, want madam Holemans is het beeld van de gesneuvelden.

Maria: dat is ook madam Holemans

Rudi DM: nu ge het zegt, dat zou wel eens kunnen.

Het verhaal dat hier wordt aangehaald doet al jaren de ronde. Gemakkelijkheidshalve hebben we hier de twee dames naasteen gezet zodat de liefhebbers zelf kunnen oordelen.

Ernest Wijnants: Bevrijding en Moeder en kind    foto's Jan Smets

 

Maria: wij mochten altijd bij hem komen spelen en de boekjes van Ans (  nvdr-Hans?) lezen.

Rudi DM: ik heb horen zeggen dat hij of zijn zoon het liedje van Malinois geschreven heeft

Maria: hij was een echte brave mens hoor.

Rudi DM:  en hebt ge Kobe nog gekend?

Maria: Kobe de Potbuis, ik heb hem hier nog.

Rudi DM: de man die aan de stad aan de riolen heeft gewerkt.

Maria: en Soetje Fut en fan?

Rudi DM: die altijd snutte. En als ze hem ambeteerden deed hij een neusgat toe en ge kreeg snot naar uw kop. Ik heb dat nog gespeeld in de plezante wandeling.

Maria: en Rikse den bult, dat was een bestedeling van de stad Antwerpen.

Rudi DM: die woonde in den Aas. (nvdr - logementshuis op de zoutwerf)

 

                   Soetje Fut en fan                                  Rikske den Bult

 

Maria: hier is hij met zijn harmonica. En ’s zaterdags, in elk kraam en elk cafe. Hij mocht overal komen spelen en hij kreeg overal.

Rudi DM: als hij te lang speelde gaven ze heb nog een tweede pintje, dan wist hij dat het genoeg geweest was.

Maria: die moet van rijke afkomst geweest zijn. Hij was een bestedeling van Antwerpen die in de Aas geplaceerd is.

Rudi DM: en Doke Vod?

Maria: die lag dood in het gasthuis en die werd terug wakker. Die zuster is daar erg ziek van geweest.

                       Doke Vod                                        Kobe de Potbuis

 De gekleurde  figuren komen uit het geïllustreerde boek van Milo Crabeels en werden geschilderd door Philip Grietens.

Rudi DM: en Kobe de Potbuis, François Michiels.

Maria: die werkte voor de stad, die heeft alles in potbuizen gestoken

Rudi DM: ja, die werkte aan de vlieten he

Maria: en die kwam dan in het Geitestraatje paardevlees eten, schep bij mijn grootmoeder hé, en daar kenden we Kobe van hé

Rudi DM: in het Geitestraatje bij de beenhouwer

Maria: in de drie hespen he

Rudi DM: waar was dat?

Maria: 20/22 aan de rechterkant, naast de seusewinkel, bij Joske. Dat was een goed straatje, als ge daar in geraakte, daar was de commerce goed. 

Ik heb veel in het Gasthuis gekomen, mijn beste vriendin was een gasthuiszuster. Ik ben er zondag nog geweest

Rudi DM: hebt ge de Loretten nog geweten, ik herinner me nog soeur Gerarda, ik was nog geen vijf, en de Raf bij ons was een echte ambetanterik. Het was St Niklaas met de roe, en in die zijn bank lag een roede, een rode. Die kerel werd lijkbleek. Hij wist hoe laat het was

Maria: de kinderen kregen toen een rammeling hé.

Rudi DM: ik heb ook af en toe mot gekregen. Ik had ze wel verdiend natuurlijk

Maria: en dat is de scharensliep, de Levens.

Rudi DM: de vader van Pierre Levens (?).

Maria: hier is patatten Leen, die stond op de Leen met patatten hé, schuin over ons, dat weet ik.

Rudi DM: mijn schoonouders waren in de Xaverianen, in de Bergstraat.

Maria: en deze is een Moortgat. Ik kende ze allemaal goed, maar wat wilt ge, ik heb tot mijn 95 jaar in de commerce gezeten, en dan zijn we gestopt. Mijn schoonzusters wilden niet meer voortdoen, en alleen ging dat niet. Onze Jean, mijn oudste broer was gestorven. Wij werkten graag.

Rudi DM: ge moet bezig zijn hé

Maria: en Deschamps, die is in Zemst begraven. Alle Mechelaars liepen daar achter, dat was een brave mens. En hier mijnheer Sips, hebt ge die nog gekend?

Rudi DM: ik ken wel twee Sipsen, die twee zusters, een van de twee is kandidaat belleman. Ze heeft hier nog gewerkt.

Maria: ja die komt hier, die ken ik goed genoeg, maar als ge commerce doet ket ge veel volk.

En Fons Akkerman, die is zijn twee zonen verloren in de oorlog

Rudi DM: hebt gij ook in de schuilkelder gezeten op de IJzerenleen?

Maria: neen, wij gingen liever in de schuilkelder van Buysse, de tabakswinkel over ons. Maar ik heb eens een mot gekregen van een Duits, die had zelf grote schrik.

Rudi DM: de Duitsers hebben die gebouwd. Het was de bedoeling dat mensen uit de omgeving daarin gingen.

Maria: de mensen van de Leen gingen daar niet in, die zat vol ratten…

Over onze deur woonde een grote rijke Duits van het leger, in de ijzerwinkel bij Joke, bij Louis. De schoonzoon was mijnheer Eggermont. Die ging dan op straat met tante Tine en dan zei hij tegen juffrouw Bouquenne van de chemiserie: als ik naar daar loop, krijg ik dan een stuk chocolade? Ja, zei ze dan, maar ik zal het stuk chocolade door het venster gooien. En dan kwamen de Duitsers en die zagen mijnheer Eggermont de trappen van het museum opgaan. En dan haalden ze hem van de trappen en brachten hem terug, want hun grote baas logeerde daar, haha.

En hier: Willem Geets.  De Belgen hebben veel slimme mensen gehad he…

Cavalcade Mechelen 1938 - Maria links vooraan

Cavalcade Mechelen 1938 - de 4 heemskinderen Windels

Je kan het volledige interview met de ongelooflijk lucide Maria Verhaeghen ook bekijken op https://www.youtube.com/watch?v=lEGIVM84en4&feature=youtu.be

 

 

Als je dit verslag hebt gelezen dan begrijp je misschien waarover het in de Mechelse Blog zou moeten gaan. Onze geschiedenis, al is die dan misschien door de nevelen van de tijd hier en daar wat aangedikt of een tikje verdoezeld, moet blijven doorgegeven worden

Tenslotte stond er in de geschiedenisboeken die we op school kregen ook niet steeds de ENIGE waarheid. Filteren en tussen de lijntjes lezen kan misschien alles in een juiste proportie brengen waar we allen iets kunnen van meepikken.

Prachtig verslag Rudi !!!

De winkel van Verhaeghen zoals ik hem altijd heb gekend.  Jean was een vaste klant in café Breugel bij Gaston en Els Giraud,  tevens lokaal van de supportersclub "de Racingboys"

Heerlijk nostalgisch artikel!  "Mieke mandje doet affaire..."  : ''t was een eeuwigheid geleden dat ik het liedje nog hoorde.  Mijn grootmoeder zong het vaak - lang geleden...  En over die volkse Mechelse types hoorde ik mijn grootvader veel vertellen.

Mooi...

Die soeur Gerarda van de Lorette die heb ik ook nog gekend.

Braaf mens. Ons moeder was met verlof uit Congo en nog niet helemaal terug gewoon dat haar dochter in het eerste studiejaar zat. Ze was met haar zus naar de Innovation gegaan en ineens om half vijf bednekt ze zich dat er nog een klein meisje op haar zat te wachten in het school.

Heel die tijd heeft soeur Gerarda zich over mij ontfermd. Ik maar snotteren, want alle kindjes waren al naar huis...

Het zou nu niet waar zijn met de gsm en de I-phone.

En soeur Perpetua en soeur Ludwine. Ik kreeg nogal eens de lange tong voorgebonden en moest dan voorbij alle klassen paraderen met die tong. Het ergste was passeren voorbij de klas van soeur Ludwine. Die riep me altijd binnen en ik werd dan tentoongesteld op de tree...

Het zou nu niet waar zijn. Kindermishandeling...We werden er groot van.

De Keerbergstraat door Alfred Ost

@gim: heb je daar nog enige ' duiding ' bij: waarom de vrouwen op den dorpel staan of waarvoor de garagepoort rechts diende of waarom de straat naar beneden ging ... of is het gewoon maar een ' prente '?

Maria zei :

"... Ik heb tijdens WO1 in Engeland gewoond, maar daar heb ik geen herinneringen meer aan. Na de oorlog ben ik met mijn ouders in de Keerbergstraat 12 te Mechelen gaan wonen..."

Dus moet, rond die periode, de Keerbergstraat er ongeveer hebben uitgezien zoals Ost ze tekende.

@Malenie: soeur Gerarda heb ik alleen gekend in mijn bewaarklasjaren!

"Braaf mens" eerder "braaf menske" zou ik schrijven, want ze was niet van de grootsten, in tegenstelling tot soeur Perpetua, die me door mijn eerste leerjaar loodste, dat was pas een "grote"!

Van die lange tong heb ik geen weet, ik herinner me nog alleen de grote stoof met een hek rond in de zaal waar we tijdens de winterdagen onze speeltijd doorbrachten! 

@Jokke, ze was inderdaad niet erg groot en een beetje rond in mijn herinneringen,soeur Gerarda.