oorlogsherinneringen van Jos Maes...

 

Jos Maes is al enkele jaren geleden overleden, maar was een fervente fan van Mechelenblogt.  Regelmatig konden we van hem spitse reacties lezen op deze blog.  Want als het over Mechelen en geschiedenis ging, was hij een kei!  Zélf pende hij ook met de regelmaat van een klok zijn levenservaringen uit jeugd, oorlog en scoutsperiode neer.  Jos-van-den-Hoek, rasechte inwoner van de Hanswijkenhoek, was kleermaker  van opleiding.  Maar nog méér dan dat tekende het scout-zijn zijn leven.  'Woelige ekster' zette zich heel zijn leven in voor z'n medemens.  Want: éénmaal scout, altijd scout...  In 2008. stierf hij.  En onlangs heb ik Hilde, één van zijn vijf kinderen ontmoet.  Zij erfde zijn omvangrijke archief, en in die bonte verzameling vond ze de basistekst van een boek die vader nog wou maken.  Het manuscript was printklaar, maar het boek werd nooit uitgegeven.  Jos Maes schreef hierin over zijn oorlogsjaren in Mechelen en Zemst in de periode 1942-1945...

 

  (Hilde Maes)

 

Mijn vader was een bijzonder man en behoorlijk intelligent.  Toen hij al over de zeventig was, kocht hij zijn eerste computer.  De boeken met zijn eigen foto's erbij heeft hij helemaal in zijn 'uppie' klaargespeeld.  Ik heb heel warme herinneringen aan hem.  Hij kon zeer eenvoudig en boeiend schrijven.  Ik heb hem als dochter zo nog beter leren kennen, en begrijp nu waarom onze jaarlijkse vakantie naar Normandië en de Ardennen zijn geweest.  Ik ben zelf maatschappelijke assistente en ooit zat ik met iemand te te praten over WOII en de man  dacht ik de oorlog zelf had meegemaakt!   Ik denk dat 'ons' vader door deze oorlog echt getraumatiseerd was...  Heel anders dan mijn moeder die toen in Antwerpen woonde, smokkelde en ook bombardementen meemaakte...  Maar zij ging er veel luchtiger mee om.... 

 

In het boek 'Mechelaars in woelige tijden', dat een paar jaar geleden werd uitgegeven door Sofie Merckx en Katrien Verheecke, was Jos één van de personen die zijn levensverhaal uit 1940-'44 uit de doeken deed.

Nu ligt voor mij het manuscript van Jos Maes, dat zijn dochter Hilde me bezorgde en nooti werd uitgegeven.

 

Het boek handelt over zijn ouders Constant Maes en Mieke De Boeck, zijn broers Frans, Jacques ('Jackie Maes'), en hemzelf, die gedurende de bombardementsperiode van de Bautersemstraat verhuisden naar Zemst, waarvan moeder afkomstig was.  De twee oudste broers, Jan en Guillaume, waren toen verplicht tewerkgesteld in Duitsland.

 

Maar al te graag wil ik Jos zélf aan het woord laten, uit respect en dankbaarheid voor zijn werk, en voor zijn vroegere medewerking aan Mechelenblogt.  Mijn dank gaat natuurlijk ook uit naar dochter Hilde, die mij deze documenten overhandigde...

 

(1 - 2 mei 1944... de Bautersemstraat 3 in Mechelen...)

 

"Mechelen, zondag 11 april 1943.  Rond halfnegen 's avonds kwamen de eerste vliegtuigen zeer laag overgevlogen, en lieten bommen los op het arsenaal (NMBS-werkplaats) en de ERLA.  Wij zaten in onze kelder te beven én van de angst én van de trillingen der ontploffingen.  Plaats: Bautersemstraat 3.  Op enkele honderden meters van de doelwitten.  Rond negen uur werd het uiteindelijk stil.  Het was voorbij.  Moeder was in alle staten van paniek.  Ze besloot onmiddellijk naar Sempst te trekken: moeders thuishaven.  Wij, met wat slaapgerief, naar nonkel Jomme en tante Serre in de Kerkstraat 196, in boven genoemd dorp.  Het voorouderlijk huis.  Ik heb mij altijd afgevraagd hoe het kwam dat een zo korte straat, zulke hoge huisnummers had.  Na enkele dagen hadden mijn ouders een woning kunnen huren in het dorp.  een leegstaande herberg, op een hoek van de Griet en het kerkhofwegje: Statielaan 222   (...)

Eind augustus beslisten mijn ouders om terug naar Mechelen te gaan wonen.  Sedert april was er geen bombardement meer geweest.  de huishuur was een niet voorziene uitgave.  Te kostelijk.  Wij waren geen begoede mensen.  Dus maar op goed geluk terug naar Mechelen.  Alles leek veilig.

Terwijl ik deze regels aan het typen ben, denk ik terug aan de schaarsheid van allerlei producten.  De rokers moesten sowieso iets vinden om de dure smokkeltabak te vervangen: 'Ersatz' noemden de Duitsers dat.  En ja hoorn na veel gëxperimenteer ontdekte men dat gedroogde bietbladeren een redelijk vervangmiddel van tabak bleek te zijn.  Na de droogperiode der bladeren, kon men zich hele avonden bezig houden met het fijn snijden der bladeren tot een aanvaardbare pijp-en roltabak.  Verslaafden vinden toch altijd wel een oplossing voor hun passie!  Ook koffie was een zeldzaam product, niet te koop in de gewone handelszaken.  Alleen op de zwarte markt.  Men verkocht 'Ersatz'-koffie vervaardigd uit gebrande gerst: malt genoemd.  Smaakte niet lekker, maar het zag wel bruin gelijk koffie.  Daar hield alle vergelijking mee op.

We waren nauwelijks weg uit Zemste of het nieuws bereikte ons dat de kerkklokken werden opgeëist door de Duitsers (...)

Mechelen, woensdag 19 april 1944.  De gruwel van die dag geraakt niet uit mijn geheugen...

Om halfzeven 's avonds zei mijn patroon (ik werkte met een leercontract bij een kleermaker aan de Brusselsesteenweg 79 Mechelen): "Ga jij maar naar huis. 't Was een lange dag!"  Van half acht 's morgens was ik al aan 't werk.  In de kleermakerij was het nu eenmaal de gewoonte dat men rond Pasen en daaropvolgende weken enorm veel werk had.  De traditie wou dat, als men een nieuw kostuum nodig had, dit in die periode liet maken.  Vandaar de lange werkdagen tussen halfvasten en Sinksen.  Maatkleding was, gelet op de lage lonen, niet zo duur.  Confectie was, zoals die nu bestaat, onbekend.  ten andere: iedereen kent wel de uitdrukking: 'Op z'n Paasbest'.

(...) Ik beëindigde mijn taak, reinigde de vloer en sorteerde het afval.  De wolresten apart, dat bracht meer geld op bij de lompenkoopman.  Ik waste me en ging naar huis.  Nauwelijks was ik buiten op straat of de alarmsirenes begonnen te loeien.  Het was al zo dikwijls geschiedt, maar deze maal klonk het toch anders.  Meer dreigender?  Een voorgevoel?  Aan Sint-Jan Berchmanskerk gekomen hoorde ik vliegtuigengeronk dat steeds maar heviger werd.  De grond trilde onder het gedreun.  't Leek wel of er honderden boerenkarren over de kasseien bolden.  Het torenuurwerk wees kwart over zeven aan.  Plots vielen er uit de zeer laag gekomen vliegtuigen witte pakjes.  De mensen die op straat stonden te kijkgen riepen: 'parachutisten!  ze zijn geland!  de bevrijding is er!"  Eer dat men het besefte waren die pakjes verdwenen en hoorde men een gierend, fluitend geluid, gevolgd door geweldige ontploffingen.  Gerinkel van glas, geroep, gehuil van in paniek geraakte mensen.  Ik wierp me op de grond in de straatgoot.  We hadden het zo geleerd.  Het was de veiligste plaats om je te beschermen als je buiten was bij een bombardement.  Er volgde bijna onmiddellijk een tweede reeks van bommen.  Toen werd het stil.  Even heb ik gewacht en dan liep ik naar huis: Bautersemstraat - naar de gevaarzone.  Maar dat besefte ik niet...

Op de Geerdegemvaart zag ik een zwaar gekwetste met een erg bloedende buikwonde.  Mijn eerste kennismaking met de wrede zijde van de oorlog.  Er stond een man bij die hem moed insprak.  Verderop kwam ik tegenover 'den tember' (postzegelfabriek) - op de hoek van de Vaartdijk en de Stationstraat.  Daar zag ik voor het eerst in mijn leven verminkte en bloedende gekwetsten.  Een man zat recht, op de rand van een bomkrater, gans bebloed.  Het bloed spoot hem uit het hoofd.  Ik hoorde hem en nog anderen hulen van de pijn.  Bloed, lichaamsdelen, doden...  Gruwelijk voor een onervaren 16-jarige.  Tot op dat ogenblik had ik mezelf nog redelijk onder controle.  Nu sloeg de paniek toe.  Wat zou ik thuis vinden.  Zouden mijn ouders en jongere broers ook zo verminkt zijn?  Of nog erger: dood?  Dan stond ik alleen op de wereld!  Paniek is een raar ding.  Ik liep verder de Withuisbrug over, richting huiswaarts.  De hoogspanningskabels langs het kanaal waren afgeknakt en lagen op de grond.  Ik zag een groot stuk schrapnel liggen, wou dat oprapen als souvenir, maar dacht bijtijds aan nonkel Staf in 1940.  Die had zulks ook gedaan en flink zijn hand verbrand.  Wat ging er allemaal in razende tempo door mijn hoofd?  Vooraleer ik thuis kon binnengaan, hoorde ik weer vliegtuigen.  In de verte, richting Hombeek, zag ik ze komen aanvliegen: de doodsvogels! Weer zeer laag.  De FLAK-batterijen (Duitse luchtafweerkanonnen) met hun droge ratelende korte knalgeluiden verhoogden nog het paniekgevoel.  Sneller dan een recordsprinter liep ik langsheen de Leuvensevaart richting Muizen.  Tegenover de gasfabriek gekomen hoorde ik terug dat zware gebrom van vliegtuigen en vlak daarop al bommen gefluit.  Ik wierp me in de vaartkant.  Ik wou als een regenworm de grond inkruipen.  Ik zag de ontploffingen in het arsenaal.  M'n grootste angst was wel, dat er bommen op de gasketels zouden vallen.  Dan was ik zeker dood.

"God laat me nog leven.  Ik ben nog zo jong.  M'n leven moet nog beginnen!"

Men zegt soms dat men Onze-Lieve-Heer van 't kruis zou bidden.  'k Meen dat ik er toen wel twee van af gebeden heb.  Van de grote schrik!

Eindelijk verstomde het oorverdovende lawaai der vliegtuigen.  Ik zag grote, zwarte wolken boven het arsenaal, waarop zeildoeken dreven als luchtballons.  Waar moest ik naartoe?  Terug naar onze straat?  Of langs de vaart naar Muizen toe?  Ik herinnerde me dat moeder eens gezegd had: "Als ze bombarderen moeten we trachten in Muizen aan den beuk of zelfs tot aan den duikelaar te geraken.  Daar zal het wel veilig zijn!".  Dus ik in die richting.  Op zoek naar mijn familie.

't Is niet weer hé!  Terug geronk.  Terug boven Hombeek: de onheilsvogels.  Deze maal misschien verdwaasd door de doorstane angsten, geraakte ik amper honderd meter verder.  Vlak voor de Zeutestraat stond een hoogspanningspyloon.  Achter het betonnen voetstuk wierp ik me op de grond, nevens mij lag nog iemand, die ik eerst na het eindigen van het bombardement herkende als de buurman Pier De Borger.  Wij spraken geen woorde, gaven geen kik, lagen te wachten op de dodende bom.  Maar nieuwsgierig als geen mens was, lag ik toch te kijken in de richting van het arsenaal.  Bij de zoveeste bominslag zag ik plots een spoorwagon hoog in de lucht.  Wat moet dat ginds zijn?  Daar zou iedereen wel dood zijn.  In stukken, onherkenbaar verminkt, zoals die aan 'den tember'.  Weer bad ik, deze keer aanriep ik Onze-Lieve-Vrouwke van Hanswijk, die moest maar een goed woordje voor mij doen.  Haar kerk stond toch midden in de bommenregen!

Uiteindelijk werd het akelig stil, geen vliegtuigengeronk meer.  Soms werd die stilte verstoord door ontploffingen in het arsenaal.  We bleven liggen, verstijfd van angst.  Na hoelang weet ik niet.  Maar uiteindelijk weerklonk ergens een sirene die het alarm afblies.  Zouden er echt geen bommenwerpers meer komen?  Alsof ik uit een diepe hypnose ontwaakte begon ik mij te realiseren: ik leef nog, ik ben ongedeerd!

Nu op zoek naar mijn familie.

Honderden, misschien wel duizenden mensen, liepen kriskras door elkaar in de velden aan de vaart, de Spreeuwenhoek en de Venne tot tegen Planckendael.  Hoe kon ik daar tussen mijn familie terugvinden?  Ik besloot van naar onze woning te gaan.  Als mijn ouders en jongere broers ongedeerd waren, zouden ze ook wel naar ons huis komen...

In de Spreeuwenhoek, even voorbij de Zeutebeek, zag ik in de menigte eindelijk mijn ouders.  Ons ma haar eerste woorden waren: "En onze Frans en onze Jacques: heb je die niet gezien?  Ik heb die naar de Kruisbaan aan de Halfgalg gestuurd.  Naar Jeanne Minten."

Ik vertelde dat de brouwerij Feremans, op de hoek van de Tervuursesteenweg, plat lag, en dat een heel brede gasbuis uit de grond stak met een grote vlam.  Maar dat ik daar geen doden of gekwetsten had zien liggen.  Terwijl we huiswaarts keerden, hooden we zeggen: "Gans de Leuvensesteenweg ligt plat.  Er zijn zeker honderden doden.  Zijn dat onze bevrijders?  Kunnen die niet beter mikken?  Dat arsenaal is toch groot genoeg?"   Had daar, op dat ogenblik een der vliegtuigbemanningen tussen de menigte terecht gekomen: die was zeker vermoord geworden.  Niemand snapte iets van wat we later zouden leren kennen als 'bommentapijt'.  'Area bombing.'

Aan de overkant van de vaart hoorden we ineens roepen: "Ma, pa, Jos!"  Het waren mijn jongere broers Frans en Jacques.  Gelukkig waren we allen ongedeerd.

Aan de Zeutestraat - Elf Novemberstraat, wou de overzetter de vaart niet over met zijn 'pontje' (overzetbootje dat aan een kabel werd voortgetrokken).  Na geroep en getier en dreigementen van nog vele mensen die over de vaart wilden, heeft hij het toch maar gewaagd.  Hij vreesde dat er nog vliegtuigen zouden komen.  Zo midden in de vaart bij een bombardement schrikte hem blijkbaar af...

Eindelijk zijn we dan thuis aangekomen.  Op 't eerste zicht niet te veel schade aan de woning.  Dak en ruiten dienden wel hersteld en vervangen te worden.  Ons moeder wilde me eten geven dat klaar stond op de cuisinière.  Toen ze het deksel van de kookpot nam, lag de pot vol met plafondgruis en stukjes glas.  Mijn eten was naar de vaantjes!  'k Heb niet gegeten.  Van al de doorstane emoties had ik toch geen honger meer.

Er werd besloten van onmiddellijk de gevaarzone te verlaten.  We trokken naar de Geerdegemstraat , naar Jan De Boeck, een neef van moeder.  Daar hebben we tot een stuk in de nacht staan kijken naar de brandende stad en de OLV-toren, die als een toorts de ganse nacht bleef branden...

Bij neef Jan sliepen we op de vloer waarop men stro had gelegd.  De volgende dag, donderdag, zijn vader en ik naar ons huis gegaan.  Vader legde de pannen van het dak terug zoals het hoorde, nagelde aan alle ramen triplex of karotn zodat het huis min of meer beschermd was tegen weer en wind.  Ik moest aan mei 1940 denken, toen was dat zowat hetzelfde werk na het opblazen van de Vierendeelspoorbrug van de electrische trein...

Terug naar de Geerdegemstraat.  Gezamenlijk zijn we dan te voet naar Sempst vertrokken beladen met het hoogste nodige én het proviand dat in huis was.  dat kon buit voor plunderaars zijn.  Weer kregen we onderdak bij moeders broer, nonkel Jomme De Boeck aan de Kerstraat.  (...)

Terug naar de rampzalige woensdag 19 april 1944..

1ste golf, 18u47: 54 vliegtuigen.  2de golf, 18u51: 54 vliegtuigen.  3de golf, 19u10: 72 vliegtuigen.  180 vliegtuigen wierpen 250 brisantbommen en naar schatting 2000 brandbommen.  Het gekende pensionaat Coloma aan de Leuvensevaart kreeg vier voltreffers.  Het park en achterliggende Leemputten negen.   En het meeste dramatische: 138 doden...

Korte tijd na het bombardement waren er al scouts ter plaatse om samen met de vele hulpdiensten te redden wat er nog te redden viel.  De jongens met Rode - of Vlaamse Kruisbinding sloten zich bij die ploegen aan.  Anderen boden hulp in scoutsverband.  Hoe dan ook, er werd gegraven naar bedolven kelders om de opgeslotenen te bevrijden.  In sommig straten had men de raadgeving van de PLB opgevolgd.  Van kelder naar kelder had men openingen gemaakt zodat men soms een heel huizenblok ondergronds kon bevrijden via één gegraven opening.  Uit Lier kwam de speciale Scouts Hulpbrigade V.V.K.S Lier ongevraagd opdagen.  Hulpverlening moest niet gevraagd worden.  Men deed dat spontaan.  Onmiddellijk zo snel mogelijk naar de plaats van het onheil.  Dagen hebben die jongens samen met vele anderen gezocht naar levenden en gekwetsten of waar het noodlot dubbel had toegeslagen, doden boevengehaald en weggebracht naar de verzamelpunten.  Eén van zo'n punt was een zaal, achter een herberg, tegenover het arsenaal, aan de Leuvensesteenweg.  Nu is dat zaal Rubens denk ik.  Voor de zoveelste maal was een groepje scouts met doden op deuren gelegd, op weg naar dat verzamelpunt.  Plots loeide de de alarmsirene, iedereen liet vallen wat viel en verliet ijlings de gevarenzone.  Ons groepje scouts stapte gewoon verder naar dat café en legden de doden bij de andere slachtoffers.  Dan eerst vluchtten ze naar den Botaniek waar een zeer grote schuilplaats gebouwd was.  Feitelijk was dat iets onnatuurlijks: eerst doden onderbrengen en dan voor je eigen veiligheid zorgen.  Het zijn van die zaken waarbij het pas veel later doordrong wat men gedaan had.  Zes dagen en soms een stuk in de nacht zijn ze in het getouw geweest.  Ik onderschat en vergeet de honderden andere dienstverleners niet.  Ook zij deden dag.  Maar vergeet niet dat onze scouts slechts jongens waren van amper 14 tot 18 jaar.  Boven de 18 jaar werd men meestal verplicht tewerkgesteld in Duitsland.  Velen hadden voordien nog nooit een dode gezien.  Nu moesten ze die optillen.  Soms verminkte, bebloede lichaamsdelen in een kistje verzamelen.  Maskers of handschoenen hadden ze niet.  Ze zijn op enkele uren tijd geharde mannen geworden..

Mechelen, maandag 1 mei, 23u40

Het einde van het Feest van de Arbeid werd het einde van vele mensenlevens.  Ook het einde van een droom waarvoor men lang gewerkt had: een eigen huisje.  Op nauwelijks vijfendertig minuten werden ganse stadswijken verwoest.  Na een hels bombardement kropen de overlevenden verdwaasd uit hun schuilkelders en aanschouwden met ontzetting de plat gesmeten wijken hunner stad.  de vele brandhaarden verhoogden nog het gevoel van onzekerheid, onveiligheid en ontreddering.  Een waar inferno.  In de getroffen wijken was het zo klaar als overdag wegens de hoog oplaaiende vlammen.  Ook wij in Zemst op ongeveer 5 km van de gevaarzone zaten te beven in de kelder.  Bij ons daverde en schudde de kelder als een schip in de storm.  We vroegen ons af: "Wat moet dat in Mechelen zijn?"   Het eentonige zware gebrom der honderden vliegtuigen veroorzaakte een soort geluidstrilling waarvan je de indruk kreeg gek te zullen worden...

(...)  Richting Mechelen zagen we een rode gloed die zich op de nachtelijke hemel weerkaatste.  De afstand was te groot om iets anders te kunnen waarnemen.  Wat we eerst gedacht hadden, dat ook in onze omgeving bommen waren gevallen, bleek gelukkig niet waar te zijn.  Zemst bleef gespaard.  Moeder en de jongere broers werden nu uit de kelder naar boven geroepen.  We stonden daar op de Griet maar te staan?  Te staren naar de vuurgloed in Mechelen, niet wetende wat te doen of te zeggen...  Uiteindelijk kwam vanwege moeder de vraag die ons allen bezig hield: "Hoeveel doden zouden er nu zijn.  En ons huis, zou dat er nog staan?"

(...) Dinsdagochtend 2 mei reed vader naar onze vroeger woonplaats.  Wij bleven in het deurgat staan wachten. (...)  Eindelijk, na meer dan een uur, kwam vader de Griet opgereden.  Van zijn gelaatsuitdrukking kon je zo al aflezen dat het ginds één puinhoop en miserie moest zijn.  Moeder vroeg al snikkend, ons huis bedoelend: "Kapot zeker?"  Vader knikte van 'ja'.  Meer is er daar de eerste uren niet over gezegd.  Toch niet in ons bijzijn.  Over de gruwelen in de getroffen wijken mochten we blijkbaar niets weten.  Vader zweeg ook daarover in ons bijzijn... (...)

Diezelfde nacht in Mechelen...

Onmiddelijk na het afblazen van het alarm snelden weder scouts ter hulp. (...)  Tientallen scouts hebben zich ingezet om kelders vrij te maken en de opgesloten te bevrijden.  Soms met de blote hand.  Ze verzorgden gekwetsten, brachten zwaar gekwetsten over naar kliniek of gasthuis, legden doden klaar voor de ophaaldiensen.  De ervaringen van 19 april laatstleden hadden als gunstig gevolg dat men sneller en efficiënter werkte.  De samenwerking met anderen, ook al 'geroutineerden', verliep veel vlotter.  Soms waren geen woorden nodig.  Eén blik was meestal genoeg om mekaar te begrijpen over de werkwijze waarop men zou handelen.  In gedachten zie ik de honderden hulpverleners die ongekend en ongeweten, soms op levensgevaar, hun evenmens in nood hebben geholpen.  Ik ben dat niet vergeten.  Kan dat niet vergeten.  Nooit!

In de late namiddag vernam ik dat één mijner leiders gedood was in de Groenstraat.  Een voltreffer op een nochtans stevige schuilkelder.  Er waren daar 38 doden.  Mijn Master Leo Beeck heeft in die puinhoop zijn assistent Juul Sips dood en verminkt aangetroffen.  Aan de paternoster in zijn hand en zijn polsuurwerk herkenden de scouts hun vriend.  Voor de rest was hij onherkenbaar verminkt...

Tegen de avond kwamen de PLB-mannen terug in de hulppost aan de Griet.  Hun handen en armen waren met een rode onstmettingstof behandeld.  Die lachten en zwansden tegen elkaar.  Ik begreep dat niet.  Dat was zeker om hun emoties weg te werken.  Later vertelden ze over hun tussenkomsten in de Leopoldstraat, de Groenstraat waar leider Sips sneuvelde, en ook aan de Tervuurstesteenweg.  (...)  Mijn scoutsbelofte getrouw: 'Andere mensen helpen waar ik kan,' nam ik dienst bij de scoutshulptroepen.  Zeer tegen de zin van ons moeder.  Die had angst dat mij iets zou overkomen...  (...)"

 

Dit uittreksel is slechts een kort fragment uit het manuscript van Jos Maes.  Ik wilde het jullie niet onthouden.  Veel meer is nog boeiend om lezen, maar dit zijn wel de meest aangrijpende fragmenten uit de episode over de zware bombardementen die Mechelen troffen die dagen.  

 

 

 

 

Aangrijpend. Kenmerken en sfeer treffend in overeenstemming met wat ik anderen hoorde vertellen en zo kon aanvoelen. Veel gegevens die me nog niet bekend waren. Goed geschreven ook. Leest als een trein.

Hoe uitgebreid is het ganse boek eigenlijk? Blijkbaar had de auteur de printklare tekst nog willen laten uitgeven. Was dat voorzien als ook wel een bijverdienste, of alleen als historische getuigenis? Als de erfgenamen het gepast achten, zou dit boek postuum zeker uitgebracht moeten worden. Indien niet op papier, misschien als documentaire bron op het internet.

Was het printklaar 'manuscript' op PC geschreven? Het fragment lijkt me moeilijk te ontcijferen geweest te zijn uit een handschrift. Als het boek klassiek uitgetikt was, kan men het initieel OCR-scannen en het digitaal resultaat op PC-klavier verbeteren aan de hand van dat origineel. Finaal helpt een spellingchecker (en consequent spellen van 'Zemst').

De stijl van het fragment doet me niet meteen onoverkomelijke problemen verwachten, maar onze wet is erg restrictief. Men zal best juridisch advies vragen over het vermelden van persoonsnamen en over foto's, want met de huidige bescherming van de privacy en van persoonlijke fysionomie op (en auteursrecht van) foto's, werd het nogal riskant om een biografisch verslag zomaar te publiceren. Had de auteur dit recent genoeg kunnen opvolgen?