De Faculteit van het Mechels dialect presenteert: lessen in het Mechels dialect

Marcel Kocken (alle foto's: Rudi Van Poele)

Dialecten zijn het resultaat van een eeuwen- en zelfs millennialange overlevering van de mondelinge taaltraditie binnen een bepaalde bevolkingsgroep. In Vlaanderen zijn er op een zeer kleine afstand zeer grote, tot zelfs bijna onoverbrugbare verschillen tussen de verschillende dialecten, met een aantal duidelijke groepen: het Vlaams, het Brabants en het Limburgs. Doorgaans zullen de leden van deze groepen mekaar wel redelijk goed verstaan, hoewel er toch tussen de steden onderling nog de nodige misverstanden kunnen optreden

Erik Vekemans

Het hoeft geen betoog dat deze verschillen een zeer waardevolle taalrijkdom weergeven, en de geschiedenis van het Vlaams heeft een studie van elk van deze dialecten nodig, waarbij het niet alleen nodig is de woordenschat, grammatica en zegswijzen vast te leggen, maar ook de juiste uitspraak.

De Faculteit van het Mechels dialect heeft deze boodschap duidelijk begrepen. Na het bekende en zeer gewaardeerde woordenboek van Hendrik Diddens werd door een aantal vooraanstaande stadsgidsen een reeks van tien lessen gegeven in de zaal De Rooster in het Klein Begijnhof, met de bereidwillige medewerking van Charles Moens. Deze stadsgidsen zijn: Marcel Kocken, Erik Vekemans, Paul Delbaere, Pierre Levens en Egied Rossiau. De inbreng van de cursisten is er echter ook naar, met aan de linkerzijde de mannen,  met o.a. kleppers als Julien De Winter en Leo Seymons, die meer dan eens stevig uit de hoek komen en aan de rechterzijde de dames, die ook “oalesen bebbel” stevig roeren.

Deze lessenreeks, die in totaal meer dan 15 uur beslaat, is niet alleen uiterst onderhoudend en amusant, maar verschaft u en de komende generaties ook een onschatbare kennis van de manier waarop ons dialect in 2011 precies werd uitgesproken. Geen enkele andere bron is daartoe in staat. De echte waarde zal pas binnen enkele tientallen jaren merkbaar worden. Geen enkel ander dialect is nu zo goed beschreven als het Mechels. (neen,  ook niet het Antwerps…) Dit is dus echt wel een wereldprimeur voor Vlaanderen.

Een simpel voorbeeld zal u het belang van dialect duidelijk maken, namelijk dat van de bepaling van het geslacht van de woorden. Hoe dikwijls is het in het algemeen Nederlands niet erg moeilijk om het geslacht te kennen: is de stoel hij of zij,  is de tafel hij of zij?

Men zegt in het dialect:

- voor mannelijke woorden:

ne vent, ne stoel, maar helaas ook: nen onnozelaar, nen idioot, nen halve gare, ne steenezel…

- voor vrouwelijke woorden:  

een vrouw, een tafel, een schoonheid, maar ook een teef, een heks, een truttebel…

- voor onzijdige woorden:

e scheel, e wijf, e titantolleke

Een speciaal geval is het woord deksel. Het woordenboek der Nederlandse taal heeft zeer lang enkel van “het deksel” gesproken en het Groene Boekje deed tot in 1954 net hetzelfde.

Tegenwoordig mag men daarnaast ook “de deksel” zeggen. Eigenaardig? Helemaal niet. Moesten de geleerde professoren indertijd dialect gekend hebben hadden ze geweten dat wij in Mechelen “een deksel” zeggen en niet “e deksel”, dus is het woord wel degelijk vrouwelijk: de deksel. Simpel toch, dat dialect. Mensen die dialect kennen, kennen automatisch ook het geslacht van het woord, want dat zit erin gebakken. Algemeen Nederlands is die voeling spijtig genoeg kwijt geraakt.

De lessenreeks die u hierna kan aanklikken werd al eens door mij in een formaat van iets meer dan 1 gigabite op vimeo geplaatst. Sinds kort heb ik echter onbeperkte oplaadcapaciteit gekregen van Youtybe, wat resulteerde in een onvervalste HD kwaliteit tot 10 gigabite. Alle lessen werden in een nieuwe format herbewerkt en opgeladen op de nieuwe website van de Faculteit van het Mechels dialect, naast de website van de Mechelse beiaard. U vindt er ook reeds enkele wandelingen en voordrachten in het Mechels. Deze reeks zal ongetwijfeld nog worden uitgebreid. Het resultaat is net alsof u er zelf bij aanwezig  bent, zeker bij gebruik van een internet TV.  Veel plezier ermee.

De volledige reeks van tien lessen vindt u via deze link:

http://www.youtube.com/playlist?list=PLmtIKHIFz1_z5w5uSAzdDxAEEoPstsb3s&feature=mh_lolz

Andere interessante websites met wetenswaardigheden een zelfs woordenboeken zijn:

http://mechelen.mapt.be/wiki/Mechels_dialect

http://www.mijnwoordenboek.nl/dialect/Mechels%20(BE)

http://blog.seniorennet.be/waasland_dialect/archief.php?ID=51

De Madammen

De Mannen

Paul Delbaere

Egied Rossiau

Leo Seymons

Schoe Meichels !  t'is allien spaoteg da de joenge gaste et oe langer oe mier verliere.

Zellefs 3 van m'n 4 kadeije kunnen et ni goo nemie en pertang vanas ze geboure zén bénnek et altaod blaove klappe.

Heel interessant !! Bedankt Rudi !
Als ik me niet vergis, grepen de lessen vaak op weekdagen overdag plaats, waardoor ik sowieso nooit kon deelnemen - de filmpjes zijn dus een heel goede oplossing ! ;-)

@Rudi Van Poele:

'de dames, die ook “oalesen bebbel” stevig roeren' horen wel "uilɘzɘn bεbbɘl tɘ reurɘ", want "aolɘzɘn" (de vorm voor een klinker of een stemhebbende medeklinker [niet in 't kofschip] van "aolɘzɘ" die bij een mannelijke substantief de variant is van "aolɘ") betekent het bezittelijk voornaamwoord 'jullie' in plaats van 'hun' ("uilɘ" of mannelijk "uilɘzɘ" / "uilɘzɘn") en "nɘn oal" is 'een uil'. Ik gebruik hier "ao" tegenover "oa" uit een eigenzinnige uitspraakspelling specifiek ontworpen voor het Mechels opdat ook wie het algemene fonetisch schrift niet zo best kent, toch uit geschreven Mechels mag beseffen hoe het klinkt, terwijl Mechelaars een lange tekst vlotter dan met eerder bestaande schrijfwijzen kunnen (voor)lezen zonder haperen en zonder tot fouten misleid te worden. Ze vergt nauwelijks of geen oefening om uitstekend verstaanbaar te zijn, al dient men om het tot in de details geheel juist zelf te schrijven wel wat voorkennis op te doen en er ook dan de aandacht bij te houden.

Voorbeelden van tekstjes staan op de ook door jou hierboven gelinkte pagina Mechels dialect met eronder videolinks naar de lessen op Vimeo (aardig voor wie een wat tragere verbinding heeft, hopelijk blijven die er staan). Eveneens op Mechelen Mapt valt uit de 'categorie:Mechels dialect' nog wel meer te rapen zoals bijvoorbeeld MdA (een woordenlijst).

Meer @Rudi Van Poele:

  • Over het genus in het Mechels (en AN) is allicht het laatste woord nog niet gezegd...

Nɘ mens. (onbepaald lidwoord "nɘ" vermits "mens" mannelijk is)

Nɘ vent. (onbepaald lidwoord "nɘ" vermits "vent" mannelijk is)

ɘn vrao. (onbepaald lidwoord "ɘn" vermits "vrao" vrouwelijk is)

ɘ kind. (onbepaald lidwoord "ɘ" vermits "kind" onzijdig is)

  • Hierboven zeker geen grote verrassingen. Voor een klinker eindigt het onbepaald lidwoord echter steeds op "n":

Nɘn aap. (onbepaald lidwoord "nɘ" vermits "aap" mannelijk is maar +"n" wegens de klinker [aa] van "aap")

Nɘn aapɛchtɘgɘ vent. (onbepaald lidwoord "nɘ" vermits "vent" mannelijk is maar +"n" wegens de klinker [aa] van in dit geval het bijvoeglijk naamwoord)

Nɘn œp zɘn aogɘ leivɘndɘ vent. (onbepaald lidwoord "nɘ" vermits "vent" mannelijk is maar +"n" wegens de klinker [œ] van eender welk woord dat op het lidwoord volgt)

ɘn aapɛchtɘgɘ vrao. (onbepaald lidwoord "ɘn" vermits "vrao" vrouwelijk is, de [aa] doet er niet toe want het lidwoord bevat reeds "n")

ɘn aapɛchtɘg kind. (onbepaald lidwoord "ɘ" vermits "kind" onzijdig is maar +"n" wegens de klinker [aa] van in dit geval het bijvoeglijk naamwoord)

ɘn oppɘkɘ. (onbepaald lidwoord "ɘ" vermits zoals in AN een verkleinwoord steeds onzijdig is maar +"n" wegens de klinker [o] van "oppɘke")

ɘ klaon oppɘkɘ. (onbepaald lidwoord "ɘ" vermits zoals in AN een verkleinwoord steeds onzijdig is, blijft zonder "n" vermits het bijvoeglijk naamwoord niet met een klinker begint)

  • Toch blijven er merkwaardigheden:

ɘ waof. (onbepaald lidwoord "ɘ" vermits "waof" onzijdig is? Hoewel steeds fysiek vrouwelijk en nochtans volgt voor dieren het genus wel de fysiek [zoals ook in AN kattin, reu, merrie, hengst...])

ɘ mens. (onbepaald lidwoord "ɘ" uitsluitend wanneer "mens" uitdrukkelijk een vrouw is! Zeer bizar want "mens" is een mannelijk substantief en "ɘ" hoort bij een onzijdig substantief.)

  • Kan men dan niet stellen dat "waof" hier dezelfde 'regel' als het mannelijk substantief "mens" volgt, in welk geval het substantief "waof" misschien toch een vrouwelijk genus zou kunnen hebben? Welke 'regel' dan? De erop volgende medeklinker is niet de reden, vermits bijvoorbeeld "ɘn wesp" en "ɘn maosɘ" het normaal onbepaald lidwoord voor een vrouwelijk substantief hebben.

Dɘ mens. (bepaald lidwoord "dɘ" vermits "mens" mannelijk is)

Dɘ vent. (bepaald lidwoord "dɘ" vermits "vent" mannelijk is)

Dɘ vrao. (bepaald lidwoord "dɘ" vermits "vrao" vrouwelijk is)

ɘt kind. (bepaald lidwoord "ɘt" of verkort "'t" vermits "kind" onzijdig is)

  • Opnieuw geen verrassingen. Maar dan begint het:

Dɘn aap. (bepaald lidwoord "dɘ" vermits "aap" mannelijk is maar +"n" wegens de klinker [aa] van "aap")

Dɘn aapɛchtɘgɘ vent. (bepaald lidwoord "dɘ" vermits "vent" mannelijk is maar +"n" wegens de klinker [aa] van in dit geval het bijvoeglijk naamwoord)

D' aapin. (bepaald lidwoord "dɘ" vermits "aapin" vrouwelijk is doch verzwegen "e" wegens de klinker [aa] van "aapin")

D' aapɛchtɘgɘ vrao. (bepaald lidwoord "dɘ" vermits "vrao" vrouwelijk is doch verzwegen "e" wegens de klinker [aa] van in dit geval het bijvoeglijk naamwoord)

ɘt aapɛchtɘg kind. (bepaald lidwoord "ɘt" of verkort "'t" vermits "kind" onzijdig is, de klinker van het woord na het lidwoord maakt geen verschil)

  • Voor een klinker eindigt het bepaald lidwoord "dɘ" dus anders, maar die wijziging verschilt naargelang het substantief mannelijk of vrouwelijk is.
  • Men moet trouwens goed opletten want "dɘ" is niet noodzakelijk een lidwoord:

Dɘ mens is een zoogdier. ("dɘ" is hier duidelijk het bepaald lidwoord)

Dɘ mens moet belastingen betalen. ("dɘ" is hier ??? Volgens mij juist antwoord: hangt van context af  [GEEN politieke reacties a.u.b.!])

Dɘ mens kan dɘr oek ni-j-an doon. (een man, "dɘ" is hier m.i. het aanwijzend voornaamwoord "die" of "dɛɛzɘ" met sterk afgezwakt aanwijzend karakter zonder onderscheid tussen 'die' [ver] en 'deze' [nabij]! Men kan erover discussiëren maar allicht is er een verband met "dɘ Jan" want in AN heet 'de Jan' fout maar 'die Jan' en 'deze Jan' niet en "dɘ Jan" betekent zulke identificatie welke door AN 'Jan' eigenlijk geïmpliceerd wordt. Wanneer AN daarentegen een bepaald lidwoord slechts impliceert, bijvoorbeeld 'Onkruid vergaat niet.', wordt juist niet een bepaald specimen bedoeld)

Dienɘ mens kan dɘr oek ni-j-an doon. (een man, misschien hoort men eigenlijk "die-nɘ" te schrijven: aanwijzend "die" maar juist relativerend door onbepaald "nɘ", want men hoort dit wanneer toch wel duidelijk is over wie men spreekt en dus zonder echt aanwijzend te zijn; men kan denken aan "die man, een man zoals velen")

Dienɘn aovɘ mens kan dɘr oek ni-j-an doon. ("dienɘ" krijgt + "n" indien een klinker volgt)

Dienɘn aovɘ kan dɘr oek ni-j-an doon. (een oude man, "dienɘ" krijgt + "n" indien een klinker volgt)

Die mens kan dɘr oek ni-j-an doon. (een man, met 'normale' aanwijzende vorm "die", AN 'die')

Dien aovɘ mens kan dɘr oek ni-j-an doon. (een man, "die" krijgt + "n" indien een klinker volgt)

Dien aovɘ kan dɘr oek ni-j-an doon. (een oude man, "die" krijgt + "n" indien een klinker volgt)

Bemerk de drie Mechelse trappen "de", "dienɘ", "die" in betekenissen waarvoor het AN slechts een armzalige 'die' aanvaardt. Dat verschijnsel komt zeer geregeld voor, allicht mede doordat (over)reglementering dergelijke varianten uit het Nederlands gewist heeft.

Dɛɛzɘ mens kan dɘr oek ni-j-an doon. (een man, 'deze' is dan in 't Mechels "dɛɛzɘ", maar...)

Dɛɛzɘn aovɘ mens kan dɘr oek ni-j-an doon. (een man, "dɛɛzɘ" krijgt + "n" voor een klinker)

Dɛɛs mens kan dɘr oek ni-j-an doon. (een vrouw, 'dit' is dan in 't Mechels "dɛɛs")

Dɛɛs aod mens kan dɘr oek ni-j-an doon. (een vrouw, de klinker maakt niets uit)

Dɛɛs vrao kan dɘr oek ni-j-an doon. (een vrouw, 'deze' is dan in 't Mechels "dɛɛs")

Dɛɛs jœnk kan dɘr oek ni-j-an doon. (onzijdig, 'dit' is dan in 't Mechels "dɛɛs")

Dɛɛs onnoezɘl jœnk kan dɘr oek ni-j-an doon. (onzijdig, de klinker maakt niets uit)

Da mens kan dɘr oek ni-j-an doon. (zeker een vrouw, 'dat' is in 't Mechels "da" normaal bij een onzijdig substantief maar "mens" is mannelijk; men hoort echter ook wel "da fent", als onbetamelijk AN 'dat vent', met zo mogelijk nog sterker pejoratieve betekenis dan "da mens"; allicht ont-menselijkt men de persoon door die onzijdig te behandelen)

Dad aod mens kan dɘr oek ni-j-an doon. (een vrouw, "da" wordt "dad" indien een klinker volgt)

Di vrao kan dɘr oek ni-j-an doon. ('die' is in 't Mechels "di" bij een vrouwelijk substantief, maar... )

Di-j-ao kan dɘr oek ni-j-an doon. (een oude vrouw, 'die' is in 't Mechels "di" bij een vrouwelijk substantief maar gevolgd door een tussen-j indien een klinker volgt; "dɛɛs ao" wordt in deze nogal pejoratieve betekenis van "ao" echter blijkbaar niet gebezigd, misschien uit beleefdheid; daarentegen zou "dad ao" meteen als taalfout opvallen)

Di-j-ao vrao kan dɘr oek ni-j-an doon. ('die' is in 't Mechels "di" bij een vrouwelijk substantief maar gevolgd door een tussen-j indien een klinker volgt)

't Mens kan dɘr oek ni-j-an doon. (zeker een vrouw. Is "ɘt" of "'t" hier een niet-benadrukte AN 'dat' of een bepaald lidwoord? In AN stelt men het laatste als men onbeleefd 'het mens' benut. Maar Mechels is geen AN en deze uitdrukking is helemaal niet onbeleefd.)

Dad oppɘkɘ kan dɘr oek ni-j-an doon. (onzijdig wegens verkleinwoord, 'dat' is in 't Mechels "dad" voor een klinker)

  • Let nog eens goed op het lidwoord of aanwijzend voornaamwoord vooraan, tegenover het genus van het stamwoord, en tegenover het bezittelijk voornaamwoord dat er naar refereert:

Nɘ mens ɛft beitɘr zɘn bakkɘs. (algemeen, mannelijk gerefereerd tenzij uitdrukkelijk een vrouw)

ɘ mens ɛft beitɘr ɘr bakkɘs. (schijnbaar algemeen maar duidelijk vrouw[en] in 't gedacht, vandaar dat onbepaald lidwoord en "ɘr" is de niet-benadrukte vorm van "uir" [AN 'haar'] - een dame kan deze zin gebruiken om eigenlijk zichzelf te bedoelen zonder dat echt uit te drukken.)

Die mens mœt zɘn bakkɘs aovɘ. (een man - "mens" is mannelijk; AN 'die mens')

Da mens mœt uir bakkɘs aovɘ. (een vrouw - edoch heet "mens" mannelijk; AN 'dat mens')

Die vent mœt zɘn bakkɘs aovɘ. (een man - "vent" is [natuurlijk] mannelijk; AN 'die man')

Dienɘ vent mœt zɘn bakkɘs aovɘ. (als "die" hierboven maar verschillende nadruk op het aanwijzend karakter van het voornaamwoord, zie ook hoger bij "Dienɘ mens"; men zou kunnen denken aan 'die man, een man die niet moet denken bijzonder te zijn')

Dee vrao mœt uir bakkɘs aovɘ. (een vrouw - "vrao" is [natuurlijk] vrouwelijk; AN 'die vrouw')

Di vrao mœt uir bakkɘs aovɘ. (als "dee" hierboven maar minder nadruk op het aanwijzend karakter van het voornaamwoord)

Da waof mœt uir bakkɘs aovɘ. (een vrouw, zoals AN wijf is "waof" nooit een man; AN 'dat wijf')

ɘt waof mœt uir bakkɘs aovɘ. (de vrouw beschouwd in tegenstelling tot [de of haar] man)

Da joenk mœt zɘn bakkɘs aovɘ. (een jongen - "joenk" [AN 'jong'] is onzijdig)

Da joenk mœt uir bakkɘs aovɘ. (een meisje)

Da pjeid mœt zɘn bakkɘs aovɘ. (onzijdig, mannelijk gerefereerd tenzij uitdrukkelijk een merrie)

Da pjeid mœt uir bakkɘs aovɘ. (onzijdig maar uitdrukkelijk een merrie)

Da vraomens mœt uir bakkɘs aovɘ. (een vrouw - welk genus heeft "vraomens"? ...)
Antwoord: Simpel, zoals voor "waof", "joenk", "pjeid": als men er noch "di" [of voor een klinker "d'"] noch "die" [of voor een klinker "dien"kan voor plaatsen, is het stamwoord onzijdig. Want het typisch onzijdige "da" is ook mogelijk bij bijvoorbeeld "mens" en zelfs "vent" [vervormd tot "fent"] en of het correct Mechels is of niet, men zegt zowel "da vraomens, 't is ɘn tang" als "da vraomens, z' is za zot" dus als test terugwijzen met equivalenten voor AN 'het', 'zij' en 'hij' kan onbetrouwbaar zijn. [In het Engels trouwens ook.])

  • En 'k paos da mɘ nog van bɘlangɘ ni rond zɛn. Want oek in Mɛchɘlɘ künnɘ dɘr mier as ienɘ [m], ien [v] of ie [o] zaon. Nɘn aosbɛrg kan nog ɘ sɘrjuis tɛttɘkɘ noedɘg emmɘ vɘu-j-ielɘmal tɘ doejɘ.

@ SomeHuman: bedankt voor uw erg interessante aanvullingen!

Oorspronkelijk geplaatst op za, 11/01/2014 - 02:57:

@Rudi Van Poele: CORRECTIE

Als deels vermeld: De bezittelijke persoonlijke voornaamwoorden 1e "ons", 2e "aolɘ" en 3e persoon meervoud "uilɘ", krijgen in geval van een mannelijk genus van het substantief + "zɘ" ("onzɘ", "aolɘzɘ", "uilɘzɘ"). De personen enkelvoud 1e "mao" [onzijdig substantief] / "maon" [vrouwelijk substantief], 2e "aof" [o en v], 3e "zao" [o]  / "zaon" [v] en "uir" [o en v] worden op vergelijkbare wijze "maonɘ", "aovɘ", "zaonɘ", "uirɘ" (en zonder nadruk "mɘ" / "mɘn", "a", "zɘ" / "zɘn" en "ɘur" respectievelijk "mɘnnɘ", "avvɘ", "zɘnnɘ", "ɘurrɘ") bij een mannelijk substantief. Bijvoeglijke naamwoorden ofte adjectieven krijgen na hun onzijdige vorm + "ɘ" in geval van een vrouwelijk of mannelijk substantief.

Al die vormen bij een mannelijk substantief krijgen + "n" indien dat bezittelijk voornaamwoord of bijvoeglijk naamwoord meteen gevolgd wordt door een woord dat hetzij met een klinker hetzij met een B, D of T begint. Want mijn op 2014-01-05 04:10 vermelde ondoordachte eerste indruk als 'stemhebbende medeklinker' blijkt geheel onjuist.

Ook het bepaald lidwoord "dɘ" en het onbepaald lidwoord "nɘ" alsook het ontkennende "ginne" [AN 'geen'] volgen die algemene regel (dus niet alleen zoals in mijn voorbeelden in een reactie hierboven voor een klinker): "nɘn bεbbɘl", "nɘn dao", "nɘn top".

Uitsluitend klinkers en B, D en T veroorzaken die + "n" achter "dɘ", "[gin]nɘ", "aolɘzɘ", "maonɘ", "groetɘ" enzovoort: "ginnɘ groetɘn bεbbɘl", "nɘ stεεvɘgɘn dao" en 'cumulerend' "nɘn oen top", "r bɘstaa ginnɘn dœnkɘrɘn Deuvɘl".

Verificatie: Men zegt "nɘ fottou", "'t Is nɘ gaovɘ" en "uilɘzɘ gaovɘ rink". Mechelse woorden beginnen nooit met hoorbare 'h'; waar die in het AN voorkomt hoort men in het Mechels slechts een klinker zodat de + "n" vanzelf spreekt. Men zegt ook "nɘ jan", "nɘ Zjεf" [persoonsnaam Jef] of "nɘ zjolzjee" en "nɘ sjεf" [chef] of "nɘ sjal". Zo ook "nɘ kop", "nɘ loepɘr", "nɘ mens", "nɘ naagɘl", "nɘ pot", "nɘ rossɘ", "nɘ stamp", "nɘ sjgεεt", nɘ vaovɘr", "nɘ walvis", "nɘ zet". Voor de R komt er dus geen "n" bij maar toch lijkt me zulke toevoeging minder evident fout te klinken dan voor die andere medeklinkers, alsof die "n" ooit wel gebruikelijk zou kunnen geweest zijn.
 

Oorspronkelijk geplaatst op za, 11/01/2014 - 02:57 doch gecorrigeerd op 8/04/2014:

Let wel: In het AN zegt men 'onze kinderen', 'onze dames' doch in 't Mechels "ons kadεεjɘ", "ons madammɘ". Het lijkt wel alsof het AN een overblijfsel uit een meer algemene taalregel verkeerd toepast, namelijk ook bij niet-mannelijke substantieven. Maar ook dan hoort men in het Mechels bijvoorbeeld "ons mannɘ" tegenover AN 'onze mannen'.