Touwtrekken om Rik Wouters

met categorie:  

Luc van Balberghe stuurde ons devolgende bijdrage in.

De Mechelse kunstschilder Rik Wouters is hot. Hij staat gekend als een man die tijdens zijn leven zwarte sneeuw zag, maar niettemin sloot hij op 29-jarige leeftijd al een lucratief contract met de Galerie Georges Giroux in Brussel.

Helaas overleed hij vier jaar later in Amsterdam.

(Jules Elslander, door R.Wouters, foto KMSKA)


Jules Elslander, directeur van de Galerie, was meer dan een kunsthandelaar; hij was een all round manager die ‘zijn artiesten’ helemaal onderwierp. Dat blijkt uit een handgeschreven correspondentie, die in mijn bezit kwam, van de Antwerpse kunsthistoricus Adriaan ‘Ary’ Delen (°Leuven 10/3/1883, +Antwerpen 17/6/60) een intieme vriend van Willem Elsschot. Beroepshalve was hij eerst assistent en daarna adjunct-conservator van het Koninklijke Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen, onder Maurits Sabbe.
Hij was ook goed bevriend met de Mechelse letterkundige Herman Baccaert.
Op 1 februari 1917 schrijft hij naar Baccaert een brief over de problemen die hij
ondervindt bij het samenstellen van zijn boek ‘Rik Wouters, zijn leven, zijn werk,
zijn einde’.

Het moest een prestigieuze uitgave worden, want op 15 november 1916 had hij
al een gele ‘Postkarte’ (met 8 cent postzegels van ‘Belgien - Deutsches Reich’)
naar Baccaert gestuurd met volgende tekst:

“(…) Ik wilde u vragen ook, of men mij geen toelage zou willen geven voor het helpen dekken der zeer hooge onkosten die ik maken moet voor mijn boek over Rik Wouters? Het verschijnt in de e.k. Lente bij Veen te Amsterdam, en ik moet daarvoor een massa foto’s aankoopen, die zeer duur zijn. Kan dat? ’t Is maar een vraag hoor. In ieder geval, nog eens hartelijken dank en tot ziens, he. Mijn beste groeten aan Neste Wijnants en Van Kesbeeck.”


Die toelage liep blijkbaar niet van een leien dakje. Hoewel Ary Delen vrijmetselaar was, bleek hij toch niet de juiste vrienden te hebben. Op 6 december 1916 stuurde hij een nieuwe briefkaart naar Baccaert:


“ (…) Hoe staat het met de subsidie?? Ik vernam nog niets. Daar ik geen vriend ben van degenen die nu in het Minist v. Wet. En Kunsten de lakens uitdeelen, heb ik alle reden om te denken, dat er niets van terecht zal komen.”

Twee maanden later schrijft hij naar Baccaert volgende brief:

“Waarde vriend,

Ge ziet mij op dit oogenblik in een zeer netelige positie, en ik kom bij u mijn hart uitstorten De Giroux zijn ten slotte uit hun schelp gekropen en ze zijn er waarachtig niet mooier om gebleken!
Ik heb u gezegd niet waar, dat mijn boek over Rik voltooid was. Ik was er voldaan over: al is het dan geen meesterstuk, ik ben zeker dat het met geestdrift en oprechtheid geschreven is, dat ik er een stuk van mijn ziel heb ingelegd en dat de vrienden en bewonderaars van onzen armen grooten doode er genoegen zouden aan hebben het te lezen. (In de rand van zijn brief vermeldt Delen: ‘Vermeulen schreef er een prachtige voorrede voor!’)
Mevrouw Wouters had me foto’s geleend om de werken te beschrijven, en nadien had ik deze teruggestuurd met verzoek ze ter hand te stellen aan mijn uitgever voor het maken der clichés. Want ge weet ook dat het boek zou worden uitgegeven bij een der grootste uitgevers van Holland, nl. L. J. Veen, de uitgever van Streuvels en van het tijdschrift Onze Kunst (Notitie van Luc v.B.: omdat Nederland niet betrokken was in Wereldoorlog I, ging daar uiteraard het economische en culturele leven gewoon door, waar onze Vlaamse auteurs eveneens hun voordeel mee deden). Alles ging dus goed. Tot op het oogenblik dat de uitgever me door Mevr. Wouters doet vragen bij den fotograaf Becker (die al de werken van Rik gefotografeerd heeft) afdrukken op blinkend papier te bestellen omdat deze beter geschikt zijn voor het clicheeren. Ik doe dat, maar… krijg een kwaden brief van Giroux die mij verwijt slinksche middelen te hebben gebruikt om aan foto’s te geraken! Er was ook een dreigtoon in zijn brief: s’il en était temps encore, il me criait casse-cou!
Ik antwoord dadelijk dat ik niet begrijp, en vraag uitleggingen. Elslander antwoordt me ditmaal om me te zeggen dat ik niet het recht heb me te bedienen van foto’s die genomen zijn naar werken die aan Giroux behooren, dat Giroux het recht van reproductie heeft, enz.
Ik tracht mijn houding uit te leggen, verklaar hem dat ik er nooit aan gedacht heb slinksche middelen te gebruiken, maar dat ik niet wist dat Giroux het recht van reproductie bezat. Let wel, het contract tusschen Rik en G(iroux) zegt daar niets over. Dat ik zeker zijn toelating zou hebben gevraagd, maar dat ik er niet aan gedacht heb, omdat ik meende dat G(iroux) er niets zou tegen hebben, vermits het hier ging om het werk van Rik te verheerlijken.
En ik vroeg hem mij wel de toelating te willen geven.
En ziehier het antwoord van Giroux: “Nel en te donnant des photographies pour les reproduire dans une édition quelconque même faite dans un but fort tonable, avait outrepassé ses droits. Voilà tout ce que prouve le hasard qui a voulu qu’elles fussent au charbon. Que tu publies sur Rik tout ce que tu veux, c’est ton droit. Si tu juges à propos de le faire, sachant que cela nous déplait, c’est encore ton droit. Mais mettre dans ta publication des photos ou des reproductions d’œuvres qui sont de propriété indivis ou de propriété particulaire c’est commettre d’abord un acte repréhensible et s’attire ensuite ton éditeur et toi des ennuis possibles. Je ne doutes pas que tu ne poursuives pas rien qu’une idée de bénéfice ou de mise en avant de ta personne et que l’œuvres de Rik ne soit pas la seule inspiration de ton effort mais les même raisons qui m’avaient fait faire la sourde oreille à tes premières tentatives me font aujourd’hui te dire que je ne puis appuyer la publication que tu fais de nos photographies. Je désire notre collaboration, à tout ce que se fera pour Rik".


Hij weigert me dus de toelating die ik hem vriendelijk vroeg. Ge ziet hij geeft geen reden op voor zijn weigering; alleen dit: cela nous déplait. Maar ge begrijpt wel waarom natuurlijk: Elslander is niet klaar met zijn boek (zal misschien nooit klaar komen!) en dat ik en niet hij de eerste zou zijn, kunnen zij in hun kleingeestigheid niet dulden.
Enfin, daar sta ik nu! Ge zult wel begrijpen dat ik, die niets dan de beste voornemens had, zeer droevig door zulke lage handelwijze gestemd ben. Ik weet niet wat ik doen maar, maar gij beste vriend, zoudt me kunnen inlichten. Is inderdaad de wet op den kunsteigendom zoo dat de kooper van een kunstwerk het recht heeft de reproductie daarvan te weigeren, ook als men de toelating heeft van de erfgenamen?
Kan het contract (waarvan ik u hierbij een copie geef, met verzoek nochtans het streng geheim te houden en aan niemand wie het ook zij, te toonen!) aan G(iroux) het recht geven mij de reproductie te weigeren van werken hij niet gekocht heeft en die nog in bezit zijn van Mevr. Wouters, b.v. van die welke Rik in Holland heeft gemaakt?
Kan hij mij beletten het beeldhouwwerk waarvan hij de moule zou bezitten, of de etsen waarvan hij de platen heeft, te reproduceeren?
En zelfs indien hij volgens de letter der wet al die rechten heeft, denkt gij dat een eerlijke en scherpziende rechter de wet op de letter zou toepassen, en niet volgens den geest van de wet oordeelen zou? Ik kan me niet voorstellen dat onze wetten zoodanig zouden gemaakt zijn dat zij een hebzuchtigen handelsman in ’t gelijk zouden stellen tegenover een eerlijken schrijver die geen ander doel heeft dan de kunst te dienen?
Maar ik verzeker u dat mijn boek in ieder geval zal verschijnen, al ware het zonder reproducties! En dan schrijf ik er een nota bij om het gedrag van Mr. Giroux, den meceen, in ’t openbaar bekend te maken.
Als ge bij gelegenheid vader Wouters ziet, zeg hem dan dit alles eens. De man zal dan begrijpen dat men bezig is het werk van zijn zoon te exploiteeren. Maar zeg hem niets van ’t contract, want Giroux mag niet weten dat ik het bezit, en vader Wouters zou het kunnen zeggen.
Ik weet ook dat een der twee Wynantsen aan Giroux verteld heeft dat ik in bezitben van foto’s naar de laatste werken van Rik, maar dat ik gezegd heb ze niet te willen afstaan.
Ik kan niet gelooven dat het Neste zou zijn die me dat geflikt heeft. Ware het zoo, dan noem ik het een onvoorzichtigheid. Maar ik heb reden om te denken dat het Nante is. En dan is het niet met een goed inzicht. Ik zal u wel eens zeggen waarom. Want ik hoop nog wel eens naar Mechelen te komen als ’t weer wat zachter wordt.
Mag ik een woordje van u verwachten? Of komt ge niet eens naar hier? Groet hartelijk Neste en zijn vrouw van mijnentwege. Ge moogt hem zeggen dat ik u schrijf, maar voeg er bij dat hij bij Giroux over mij niet spreken moet.

Hartelijken handdruk,
Ary Delen”.


Uiteindelijk zal het boek pas 4 jaar na de Eerste Wereldoorlog verschijnen en dan niet bij L.J. Veen, maar bij De Waelburgh Uitgeversmaatschappij in Blaricum.

Mooie petite histoire, met heel wat bekende (Mechelse)namen die hierin voorkomen.  Dit is een leuke aanvulling bij de biografie die ik pas gelezen heb.  En het bewijst nogmaals de getroubleerde verhouding met de wel heel erg inhalige Giroux..., maar nu weer vanuit een andere hoek.