1489

met categorie:  

Enkele jaren geleden heb ik een tijdlang door de Mechelse stadsrekeningen van 1450 tot 1535 gesnuffeld. In het bijzonder trokken de uitgaven van het jaar 1489 mijn aandacht.

Wanneer alle uitgaven aan stedelijke werken tussen 1450 en 1535 netjes per jaar opgeteld worden, kan met de resultaten volgende grafiek bekomen worden:


De uitgaven aan stedelijke werken tussen 1450 en 1535 (grafiek: Koen Vermeulen)


Opvallend is de piek tussen de rekenjaren 1487-88 en 1489-90: 1489 was een jaar waarin de uitgaven aan stedelijke werken fors de hoogte in schoten.

… 1489 … Een prachtig jaartal, nietwaar? Wat was de reden van deze ‘Mount Everest’ in het grillige verloop van de Mechelse stadsfinanciën?

Analyseren we eerst even het verloop van de grafiek. De grafiek kan in drie delen gesplitst worden: het eerste deel omvat dan de periode 1450-1477, het tweede deel 1477-1503 en het derde deel 1503-1535. Met de regering van Karel de Stoute en de vestiging van de centrale instellingen te Mechelen begonnen de stedelijke uitgaven lichtjes te stijgen. Na Karels dood in 1477 zorgde de komst van zijn weduwe Margareta van York met haar hofhouding voor een ‘uitgavenboost’. Er werd een hernieuwde stedelijke bloeiperiode op gang getrokken die, na de dood van Margareta van York in 1503, nog tot het verblijf van landvoogdes Margareta van Oostenrijk zal blijven duren.

Enkele kanttekeningen bij de grafiek:
-De aanvangsdatum van een rekenjaar was (meestal) 1 november (Allerheiligen); de reden dus waarom één rekenjaar aangeduid wordt met twee jaartallen.
-In de grafiek is er geen rekening gehouden met de toenmalige waarde van de munt; alle bedragen zijn rechtstreeks uit de stadsrekeningen overgenomen.


Het politieke kader waarin bovenstaande gebeurtenissen zich afspeelden, kan in een notendop als volgt samengevat worden:

Na de dood van Karel de Stoute op het slagveld bij Nancy, in januari 1477, werden de centrale instellingen (het Parlement van Mechelen en de centrale Rekenkamer) afgeschaft. Door het feodaal recht in te roepen tegen Karels dochter en enige erfgename, Maria van Bourgondië, maakte de Franse koning Lodewijk XI zich meester van Bourgondië en bedreigde hij Vlaanderen. Aangezien het Bourgondische leger te Nancy vernietigd was, bevond de jonge hertogin zich in een zeer gevaarlijke situatie, die nog verergerde door onlusten in Vlaanderen en enkele andere gewesten. Maria van Bourgondië riskeerde haar staten rechtstreeks te verliezen of gedwongen te worden tot een huwelijk met de zoon van Lodewijk XI. Uiteindelijk zal ze in augustus 1477 te Gent aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk, zoon van keizer Frederik III van het Heilige Roomse Rijk, huwen. Hierdoor kwamen de Nederlanden onder een nieuwe dynastie. Uit het huwelijk zullen Filips (de Schone) en Margareta (van Oostenrijk) geboren worden.
Onder druk van de Staten-Generaal vaardigde Maria van Bourgondië op 11 februari 1477 het Groot Privilege uit en schonk ze de rechten uit de tijd van Filips de Goede aan Mechelen terug. Het Groot Privilege maakte de centralistische politiek van Karel de Stoute ongedaan en verstevigde opnieuw de autonomie van de steden en gewesten. Met het vroegtijdige overlijden van Maria van Bourgondië in 1482 kwam een einde aan het bewind van het Bourgondische huis in de Nederlanden. Enkele dagen voor haar dood gaf ze nog als laatste wilsbeschikking te kennen dat haar echtgenoot tot de meerderjarigheid van haar zoon Filips de voogdij over haar beide kinderen en het regentschap over haar landen zou voeren. Maximiliaan werd door verschillende gewesten slecht onthaald, wat resulteerde in talrijke opstanden. Gedurende een tiental jaren hadden de Nederlanden af te rekenen met een burgeroorlog.


Maximiliaan geknield in bidstoel (Detail uit het Antiphonarium van Margareta van Oostenrijk; illustratie: MAES, 500 jaar Grote Raad 1473-1973, 226.)


Keren we even terug naar Mechelen …

In 1488-89 klommen de stedelijke uitgaven naar een ongekende hoogte. In dat jaar werd er 2.362 pond Brabantse groten besteed aan stedelijke werken, meteen het hoogste bedrag uit de periode 1450-1535. Ook het daaropvolgende jaar bleven de onkosten aan openbare werken hoog. De uitzonderlijk hoge sommen die in 1488-89 en 1489-90 werden opgetekend, verdienen een extra woordje uitleg.

In februari 1488 werd Maximiliaan van Oostenrijk door de Vlaamse opstandelingen in Brugge opgesloten. Filips de Schone en zijn raadgevers riepen te Mechelen de Staten-Generaal bijeen om over de vrijlating van Maximiliaan te beraadslagen. In mei 1488 werd de gevangen vorst vrijgelaten. De daaropvolgende maanden was Filips van Kleef - één van Maximiliaans bitterste tegenstanders - er op uit Filips de Schone in handen te krijgen. De omstreken van Mechelen waren erg onveilig: Albrecht van Saksen, die door Maximiliaan als stadhouder over de opstandige Nederlanden was aangesteld, streed samen met Mechelse schutters om de kastelen van Grimbergen, Vilvoorde en Rupelmonde. Het Mechelse stadsbestuur nam in het najaar van 1488 en in 1489 bijzondere voorzorgsmaatregelen om de veiligheid van Filips de Schone te waarborgen.


Filips de Schone (Anoniem; illustratie: MAES, 500 jaar Grote Raad 1473-1973, 224.)


Ten eerste (ver)bouwden de stedelijke werklieden verschillende versterkingen en bolwerken aan de invalswegen rond de stad. De bolwerken op Pasbrug, Nieuwendijk en Bruine Kruis maakten deel uit van een eerste verdedigingsgordel ten noorden van de stad (allen gelegen aan de Vrouwvliet). De forten die behoorden tot een tweede verdedigingsgordel bevonden zich in de omliggende dorpen Heffen, Battel, Walem, Muizen, Hever, Zemst en Hombeek. Binnen de stadsmuren, in de nabijheid van het paleis van Margareta van York, werden waakhuizen opgesteld:

SAM, Stadsrekeningen, 1488-89, fol. 169v.: Item betaelt van den waechuyse te maeckene op ter wyc van den Biest, metter stoffen daer toe ghelevert ende van den dachueren, comt op — 2 lb. 10 s. 3 d.

Vanaf 1489-90 wordt My vrouwen la Duagiere haer Hof’ of het ‘Hof van Bourgondië’ in de stadsrekeningen trouwens aangeduid als het ‘Hof van Oostenrijk’.

Ten tweede moesten de grondwerkers tijdens de strenge winter van 1488-89 het ijs op de stadsgrachten breken om een mogelijke belegering van Mechelen te bemoeilijken:

SAM, Stadsrekeningen, 1488-89, fol. 169r.: Item betaelt Jan Rumelant met zinen medeghesellen van den yse te breeckene ende van den water open te houwene te van den Winckete tot aen de Hanswycpoerte, metten onkosten van den booten daer toe ghebesicht, comt tsamen op — 51 lb. 11 s. 6 d.

Ten derde moesten er extra vuurwapens worden gesmeed ter verdediging van de stad. Het materiaal voor de artillerie, zoals poeder en projectielen, bewaarde men in de stadspoorten. Kanonnen stonden onder andere op de Overste Poort, de Nonnenpoort en de Nekkerspoelpoort opgesteld. De stadsrekeningen maken melding van verschillende types kanonnen: bussen, colloeveren, serpentinen, vogheleers en haechbussen. Een busse was een gewoon kanon. Een colloevere was een klein kanon met een lange en dunne loop. Een serpentine was een klein stuk geschut. Een vogheleere was een kanon van klein kaliber met een lange loop waarmee stenen werden afgeschoten. Een haechbusse was een vuurwapen dat vanuit de hand werd afgeschoten. Er bestonden ook haechbussen van grotere afmetingen die op schragen of wielen lagen. Daarnaast zorgden de loodgieters voor cloeten of loden kogels. In 1488-89 schilderde Boudewijn van der Wyct het stadswapen op de stedelijke kanonnen.

SAM, Stadsrekeningen, 1488-89, fol. 170r.: Item betaelt Boudewijn van der Wyct van 15 serpentinen te verwene metter stad wapenen, van 19 bussen met haren cameren, 9 vogheleers met haren cameren, ende met 49 haechbussen tzamen te stofferene van schilderien, comt op — 7 lb. 15 s. 6 d.

Ten vierde werd het land ten zuiden van de stad blank gezet door in de stadsgrachten overtollig veel water van de Dijle te pompen. Mechelen had immers doorheen de jaren een ingenieus watermolencomplex uitgebouwd. In het pomphuis werd met één molen een tiental pompen aangedreven. Het pomphuis functioneerde als een soort bedieningscentrale voor het regelen van waterstand en –debiet. Ten zuiden van Mechelen werd de Zenne omgeleid zodat het Vrijbroek onder water kwam te staan:

SAM, Stadsrekeningen, 1488-89, fol. 169r.: Item betaelt Cornelis Leemans met zinen ghesellen van den grechten te slechtene aen de vestberghen van der Adeghempoerten tot ter Hanswycpoerten, van 5 weecken corte daghen, sdaechs 6 gr., ende 29 weecken langhe daghen, sdaechs 7,5 gr.; van gravene int Vriesbroec om dwater van den Sennen aldaer te leyene; comt tsamen op — 169 lb. 2 s. 7,5 d.


Op de koop toe brak in 1489 de pest uit in Mechelen. De ziekte had volgens Berlemont “een zo grote uitgebreidheid genomen, dat het stadsbestuur zich verplicht zag ziekenhuizen buiten de stad te doen opbouwen om de besmetten te verplegen”. In de stadsrekeningen duiken er dan ook onkosten van werken aan een
siechuys op. In 1489-90 vonden er bijvoorbeeld werkzaamheden plaats onder leiding van Goris Scheers en Jan van Werchtere. Jan Wouters transporteerde het nodige materiaal vanuit Mechelen naar het ziekenhuis:

SAM, Stadsrekeningen, 1489-90, fol. 172r.: Item betaelt Jan Wouters van 130 vaerden hout ende steenen gevoert van Mechellen tot int siechuys, elc vaert te 9 gr. ...


Het feit dat de stedelijke ambachtslieden vanaf 1489-90 een loonsverhoging kenden, speelde ook een rol in de hoge uitgaven. De timmerlieden en metselaars verdienden het hoogste loon, de grondwerkers hadden het laagste inkomen.
In 1488-89 slokten de timmerwerken bijna de helft van het budget voor openbare werken op, terwijl de metselwerken amper 6 % van het budget toegewezen kregen. Wegens de werkzaamheden aan de bolwerken bereikten de uitgaven aan grondwerken - met een aandeel van 24 % binnen het budget voor openbare werken - net als de timmerwerken hun hoogtepunt in 1488-89. Door het voortdurend smeden van kanonnen, loden kogels en allerlei ijzerwerk voor toepassing in de bolwerken, tekenden ook de smeden en loodgieters - met een aandeel van 20 % binnen het budget - een record op.

Om de stedelijke onkosten enigszins te drukken werden er in deze tijden zo goed als geen werkzaamheden aan de Mechelse hoven van edellieden uitgevoerd. Aan de stadsomwallingen en -poorten moest het stadsbestuur gelukkig niet veel meer uitgeven: in de jaren ‘70 tot 1485 waren er immers al grote verbouwingswerken aan de Koepoort, Kerkhofpoort, Oude Brusselse Poort en Overste Poort uitgevoerd.


In fide constans

De burgeroorlog zou uiteindelijk eindigen met de overwinning van aartshertog Maximiliaan. De vorstelijke centralisatie, die bij de dood van Karel de Stoute bijna werd teniet gedaan, werd door Maximiliaan in een hardnekkige strijd tegen het particularisme van de steden en gewesten opnieuw hersteld. Tijdens de opstanden tegen Maximiliaans gezag was Mechelen hem steeds trouw gebleven. Als beloning hiervoor verhief keizer Frederik III op 10 januari 1490 de heerlijkheid Mechelen tot graafschap. Het graafschap Mechelen kwam als grondgebied toen overeen met het district en omvatte de gehuchten Hofstade, Nekkerspoel, Hanswijk, Geerdegem, Auwegem, Winket, Battel, Pennepoel en Nieuwland; en de vijf omliggende dorpen Muizen, Hever, Hombeek, Leest en Heffen. Tevens kreeg Mechelen er in zijn wapenschild een koningsadelaar bij en mocht het het devies “In fide constans” voeren.


Het wapenschild van Mechelen (illustratie: MAES, 500 jaar Grote Raad 1473-1973, 3.)

 

Geraadpleegde bronnen en werken:

SAM, Stadsrekeningen, S. I, nr. 126: stadsrekening 1450-51 t.e.m. nr. 210: stadsrekening 1534-35.

ANCKAER, J., ‘Openbare werken te Mechelen (1350-1380): Enkele financiële en militaire aspecten’, Handelingen van de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen, 95 (1991), 53-73.
BERLEMONT, F.A., Mechelse kronieken van het jaar 1 tot 1945, Brussel, 1975.
MAES, L.T., 500 jaar Grote Raad 1473-1973: Tentoonstelling van Karel de Stoute tot Keizer Karel, Brussel, 1973.
VAN UYTVEN, R., ‘Crisis als cesuur 1482-1494’, Algemene Geschiedenis der Nederlanden, V, Haarlem, 1980, 420-435.
VAN UYTVEN, R. red., De geschiedenis van Mechelen: Van Heerlijkheid tot Stadsgewest, Tielt, 1991.

Een zeer interresant en boeiend stukje geschiedenis van onze vroegere economie van Mechelen, PROFICIAT!

Mooi opzoekwerk ook, nog even en je kan een boek schrijven over de Mechelse economie :P

Uitermate boeiend!

Zeer zeker interessant, kan er iemand dit ook een keertje doen voor de periode vanaf 1945 tot vandaag ?

peter, dat is voorspelbaar voor de laatste legislatuur :-). inderdaad het valt te verwachten dat  de periode na de oorlog ook stevig zal pieken.

Knap staaltje specialistisch opzoekwerk en voor vele lezers onbekend ( onbemind? ) terrein.

Zeer intressante bijdrage aan MB, Koen.

Wat ik me als leek afvraag : je spreekt over Overste Poort en de Nonnenpoort. 

Wat betreft de Nonnenpoort ga ik ervan uit dat die ergens aan de Nonnenstraat moet gestaan hebben. Is dit juist?

Waar de Overste Poort stond heb ik geen idee. Iemand?

Bedankt !

Koen, een opmerkelijk stukje geschiedenis dat een mooie chronologie weergeeft van een periode die voor Mechelen toch wel uitermate belangrijk is geweest. Bedankt!

Een knap voorbeeldig historisch artikel.  Bedankt.  

Eén opmerking maar : ik denk dat het devies van Mechelen niet de Latijnse versie is, maar "In Trouwen Vast", wat trouwens hetzelfde betekent. Dat Latijnse spreuk zou pas later toegepast worden. Enfin, zo heb ik het toch altijd begrepen. Ik heb eens gekeken op de oorsponkelijke oorkonde Waarvan ik  een gedeeltelijke afbeelding heb en die oorkonde is wel in het Latijn.Anderzijds lees ik  op blz. 14 van "De Geschiedenis van Mechelen" (uitgave Lannoo) het volgende: In de 19de eeuw kende het stadswapen onder het Franse, Nederlandse en Belgische bewind telkens een andere vormgeving. Daarbij raakte de Latijnse spreuk In Fide Constans definitief in zwang ten nadele van het al lang gebruikte Nederlandse In Trouwen Vast.

Spijkers op laag water misschien?

Bedankt allemaal voor jullie appreciatie!

@ Marc DW: De Nonnenpoort bevond zich inderdaad op het einde van de Nonnenstraat.

@ Rudi: Staat het devies in de oorkonde van 1490 niet in het Latijn?

Ik denk dat er in 1490 verkiezingen waren. 

Het hele document is in Latijn, dus is dat devies in principe ook in Latijn, tenzij men bijvoorbeeld in de Latijnse tekst de "Vlaamse" zet en dan b.v. vertaalt. Maar zoals gezegd. Ik heb geen volledige oorkonde. Feit is dat men eigenlijk altijd de Vlaamse versie heeft gebruikt en pas veel en veel later een Latijnse versie.

Koen

 

Waarom zijn er pieken in 1499 en 1515 (iets te maken met de meerderjarigheidsverklaring van "onzen hertog" en zijn vertrek naar castilië ?)

j

De andere pieken - op de grafiek valt het moeilijk af te lezen - deden zich voor in 1496-97, 1511-12 en 1519-20. Feesten ter ere van vorsten kúnnen voor extra uitgaven zorgen: in de rekeningen van 1494-95 werd er bijvoorbeeld een extra rubriek bijgevoegd met uitgaven aan ‘presenten’ (zoals wijn) bij de inhuldiging van hertog Filips van Oostenrijk op 27 maart 1495 (dit staat uiteraard los van de stedelijke werken). In de jaren 1496-97, 1511-12 en 1519-20 moeten de oorzaken voor de pieken echter elders worden gezocht.

In 1496-97 werd een aanzienlijk deel van het budget bestemd voor werkzaamheden aan de zes stedelijke windmolens, het watermolencomplex en het Blockhuys. Tot de stedelijke windmolens behoorden de Nieuwendijkmolen, de Oudendijkmolen, de Ziekeliedenmolen, de molen buiten de Adegempoort, de Waleminnemolen en de Bruine Kruismolen. In 1496-97 werd het Blockhuys voltooid. Dit grootste en belangrijkste bolwerk was gelegen aan de Vrouwvliet, nabij de Blokhuisstraat. De bouw ervan werd toegewezen aan Jan van Werchtere op 31 juli 1492. De muren van de wachttoren hadden een dikte van 12 voet (1 voet = 0,278 m). De toren zelf had een binnendiameter van 36 voet. Het bolwerk aan de toren was binnen de 6 voet dikke muren 40 voet lang en 30 voet breed. Het Blockhuys maakte deel uit van de verdedigingsgordel gelegen aan de Vrouwvliet ten noorden van de stad.



Het Blockhuys rond 1898, west- en oostzijde (foto's: REYDAMS, A., ‘Het Blokhuis: Laatste Overblijfsel der Buitenversterkingen van Mechelen’, Handelingen van de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen, 8 (1898), 91.)

De pieken in 1511-12 en 1519-20 hebben te maken met de bouw van allerlei hoven. De periode tussen 1500 en 1540 kan dan ook beschouwd worden als de bloeiperiode van de burgerlijke bouwkunst in Mechelen. Reeds op het einde van de vijftiende eeuw vonden er verbouwingswerken plaats aan het Hof van Bergen en het Hof van Nassau. In het begin van de zestiende eeuw begonnen de werken aan het Hof van Busleyden, het Hof van Duffel, het Hof van Chièvres en het Hof van Hoogstraten. Hierbij ging het steeds om residenties van raadsheren of leden van de hofhouding. In 1507 startte men de werkzaamheden aan het Hof van Savoye. Na 1520 werden nog twee grote openbare bouwwerken gestart. Ten eerste werd in 1520 het Hof van Vlaanderen gebouwd, waarin het keizerlijk arsenaal werd ondergebracht. Ten tweede werkte men in 1526 aan een aangepast paleis voor de zittingen van de Grote Raad (dat - zoals jullie wel weten - tot in 1912 onafgewerkt zou blijven en nu dienst doet als stadhuis).