Brief aan Dirk Verbruggen

(Dirk Verbruggen is een Mechels auteur is die onlangs overleed)

Lieve Dirk, goede Kamiel, 

Het begon aan een tapkast in Schuppezot, een café annex ontmoetingshuis dat ik met enkele jeugdvrienden in Hofstade uit de grond had gestampt en waar  jij kwansuis passeerde. Ik tapte, enfin ik deed alsof ik tapte en jij bestelde een Palm. 

‘Sorry,’ zei ik, ‘dat hebben we niet, wèl Adler.’ Van jouw binnensmonds grommende repliek verstond ik alleen de laatste woorden: ‘…einde beschaving.’ 

We zouden de beschaving sinds dat moment nog vaak samen ten onder laten gaan.  Na een klein jaar biechtte je op dat je een boek had geschreven maar twijfelde om het uit te geven.  En of ik er niet naar wou kijken?  Het is een vraag die niet zonder gevolgen is gebleven, ze werd bepalend voor het verdere verloop van onze vriendschap.  Jij schreef en als je klaar was met je manuscript stopte je het in een kartonnen kaft die je weer in een goedkoop plastieken tasje propte. 

Vervolgens kwam je bij mij binnen, legde het hele pak op tafel en zei: ‘Dominique heeft het al gelezen.’  Je trok aan je sigaar en neep al inhalerend je ogen halfdicht. ‘

Wat vindt zíj ervan?,’ vroeg ik lichtjes geïntimideerd. ‘

Lees het eerst maar, daarna vergelijken we.’ We gingen eten en diezelfde nacht al begon ik te lezen en te schrappen, je in de kantlijn motiverend maar evenzeer vervloekend en uitkafferend:

‘Hou er mee op, laat je herscholen bij de RVA en wordt loodgieter.’ Een paar weken later pakte je de hele zwik terug naar huis en schreef je op jouw beurt de kantlijn vol in rode stift.

Bij mijn gechargeerde uitschuiver noteerde je laconiek: ‘Heb je toevallig het adres van de RVA?’ Niemand die ik ken kon zo kalm en gedecideerd omgaan met kritiek als jij.  Nooit ging je in de verdediging, je vroeg alleen hier en daar om verduidelijking en vervolgens deed je er je eigengereide goesting mee. Zo ging het bij elk boek. Van je romandebuut Heilig Zonder Moeite dat je presenteerde op vrijdag 23 oktober 1987 in De Standaard Boekhandel aan de IJzerleen hier in Mechelen tot Goede Papieren in De Zondvloed vandaag.  Met daartussen in: Licht Bewogen, De Liefdeseter,  Mijnheer en het Meisje, De Zomer van Winona en De Dagbewaarder. Zeven boeken waaraan gemiddeld vijf verschillende versies vooraf gingen. Vijfendertig maal hetzelfde ritueel.  Manuscript, plastieken tasje, Dominique heeft het al gelezen en sigaar.  Onze vriendschap bestond bij gratie van jouw schrijfarbeid en je boeken werden onze particuliere tijdrekening. Malinwa won de Europacup II zeven maanden na je debuut en Malinwa ging failliet op de kop af de dag dat je De Dagbewaarder definitief klaar had. Je boeken leefden in ons en wij gingen een leven leiden in die boeken. Op den duur liep het door elkaar heen zonder dat we er erg in hadden. Vanaf je vierde, Meneer en het Meisje, noemde ik je Kamiel, naar het gelijknamige hoofdpersonage.

Daar had je min of meer zelf om gevraagd nadat je deze opdracht in mijn exemplaar had geschreven en gesigneerd: ‘Eenvoudige veertiger, autist, geboren voor het ongeluk, zoekt eenvoudige heer om samen elkaar moed in te spreken. Veel leesplezier. Kamiel.’

Ik herlees mijn laatste brief aan jou over Goede Papieren.  ‘Kamiel, deze roman ben jij ten voeten uit.  Precies en precieus,  met veel aandacht voor details, kijken en bekijken, stilstaan, mopperend en mompelend weer voortgaan.  En grappig ook, zoals in dit fragment.

‘God is overal,’ zei moeder.

Overal, dacht hij. ‘Ook in de lucht?’ vroeg hij.

‘Overal,’ zei moeder.

Hij liep de tuin in en hij greep een beetje God uit de

lucht en hield zijn hand angstvallig dicht. Later, uit de ogen

van moeder, liet hij God los in een lege pot jam en schroefde

hij het deksel erop.

‘God,’ schreef hij, en hij plakte het etiket op de pot.

Zo had hij altijd een handvol God bij zich.

Hij vroeg zich af of hij gaten moest prikken in het deksel?

Had God zuurstof nodig? Wat eten, afleiding? Hij kon

altijd nog wat God vangen. Dan was dat ene vleugje God

niet zo alleen.

’s Avonds liet hij God maar liever vrij.

Het geeft toch niet, dacht hij, als God overal is, is Hij

ook in een potje zonder deksel. 

Je bent een pisterijder, Kamiel, die zoals in de grote wielerzesdaagsen van weleer, zijn tegenstander pakt in traagheid, in minutenlang op de plaats blijven, en dan – als hij en het publiek het niet meer verwacht – alleen de eindstreep opzoekt. Ze zijn er nauwelijks, zoveel schroom zit  in je woorden.  Van het soort schroom dat dezer dagen door uitgeverijen met veel poeha bij het oud papier wordt gezet.  Een cynicus zou zeggen: het boek had er net zo goed niet kunnen zijn. De melancholicus zou antwoorden: maar dan was het er niet geweest.’

Dat schreef ik je min of meer een jaar geleden. Er kan veel gebeuren in een jaar. In Goede Papieren staat een zin die ik als motto gebruik voor mijn volgende boek.  Ik had daarvoor je toestemming willen vragen, maar dat ligt gezien de omstandigheden een beetje moeilijk. Die zin staat op pagina 163 en luidt als volgt: 

Misschien sta ik op een dag voor je deur en

roep ik dat je moet opendoen, roep ik als een krankzinnige

de hele straat bij elkaar dat je toch maar zou opendoen.

Achteraf bekeken is het helaas ook de zin van al je liefhebbende lezers geworden.

(Dirk Verbuggen's boek Goede Papieren is net postuum verschenen.)

Ode aan Dirk:

(Foto Irma: Melaan Mechelen)

Bedankt, Pat.  Doet me zin krijgen om eens een boek te lezen van Dirk Verbruggen.  Ik ken wel zijn gedichten, maar zijn romans heb ik tot nog toe nooit ter hand genomen.  Eén dezer begin ik er aan.  Zeker weten! 

Mooi!